Rb Brussel: opname Palestijns gezin op evacuatielijst Gaza is geen consulaire bijstand
In het kort
De rechtbank van eerste aanleg van Brussel verplicht de Belgische Staat in een vonnis van 17-12-2025 om een Palestijns gezin op de evacuatielijst Gaza te plaatsen. Volgens de rechter is de opname op die lijst geen consulaire bijstand gesteund op art. 75 van het Consulair Wetboek. De opname van het gezin op de evacuatielijst is gesteund op hun erkend recht om effectief te kunnen genieten van het hen door de Belgische overheid toegekende humanitaire visum en visum gezinshereniging.
De Rechtbank van eerste aanleg van Brussel veroordeelde op 17 december 2025 de Belgische Staat om binnen de 72 uur na betekening van de beschikking om een Palestijns gezin op te nemen op de evacuatielijst en om die aangepaste lijst binnen de 72 uur, na opname van het gezin, over te maken aan de Israëlische, Egyptische, Jordaanse of andere bevoegde autoriteiten. Dit alles werd de Belgische Staat opgelegd op straffe van een dwangsom van 1.000 euro per dag vertraging, met een maximum van 500.000 euro.
Verzoek tot en afwijzing opname evacuatielijst
Het betreft een Palestijns gezin dat in Gaza verblijft. Hun zoon kwam in België aan als niet-begeleid minderjarige en kreeg kort nadat hij meerderjarig werd, op 28 mei 2024, de vluchtelingenstatus. Enkele maanden later werden visa gezinshereniging (voor de ouders) en humanitaire visa (voor de broer(s) en zus(sen)) aangevraagd. De visa werden toegekend in april 2025 waarna de zoon in België contact opnam met het crisiscentrum om zijn familieleden op de evacuatielijst te laten opnemen.
Dat verzoek werd afgewezen omdat er een nieuwe beslissing van de federale regering zou nodig zijn. Volgens het crisiscentrum konden er tot dan geen personen bijkomend op die lijst opgenomen worden.
Consulaire bijstand?
Volgens de Belgische Staat betreft de vordering een vraag om consulaire bijstand, dat geen verplichting is voor de overheid en bovendien een discretionaire, administratieve rechtshandeling uitmaakt, dat niet onder de bevoegdheid van de Belgische hoven en rechtbanken valt.
De Belgische staat stelt ook dat de toekenning van het visum maar een voorwaardelijk recht op toegang tot het grondgebied inhoudt in hoofde van de gezinsleden van de erkend vluchteling.
De rechtbank volgt de Belgische Staat hier niet in. Volgens de rechtbank betreft het enkel de vraag tot opname op de evacuatielijst en delen van de vordering die ruimer geformuleerd zijn dan dat, doen geen afbreuk aan de essentie namelijk, opname van het gezin op de evacuatielijst.
De rechtbank bevestigt dat dit geen verplichting tot consulaire bijstand inhoudt. De rechtbank redeneert dat uit de toekenning van de visa gezinshereniging/humanitaire visa volgt dat elke redelijke en vooruitziende overheid het nodige moet doen om ervoor te zorgen dat de betreffende personen kunnen genieten van de visa die hen werden toegekend.
De rechtbank concludeert wel dat bijkomende gevorderde maatregelen (andere dan opname op de evacuatielijst) niet kunnen worden toegekend omdat zij de gevorderde maatregel omvormen tot een vorm van consulaire bijstand waar de gezinsleden geen recht op hebben.
Strijdig met gelijkheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel
De rechter stelt vast dat de weigering van de opname van het gezin op de evacuatielijst strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht. De weigering om het gezin op te nemen op de evacuatielijst is louter gestoeld op het feit dat het gezin zich niet reeds op de evacuatielijst bevindt en dat die lijst thans geblokkeerd is, in afwachting van een nieuwe beslissing van de regering hierover.
De rechter oordeelt dat zo’n motivering niet voldoende is en afbreuk doet aan het gelijkheidsbeginsel, aangezien andere personen die zich in een vergelijkbare situatie bevonden, eerder wel op de evacuatielijst werden opgenomen.
Dit vloeit voort uit de beginselen van behoorlijk bestuur en uit de buitencontractuele aansprakelijkheid (artt. 6.5 en 6.6 BW). De rechtbank in deze verwijst ook naar het recht op leven, beschermd door artikel 2 EVRM.
Toepassing EVRM
De toekenning van een humanitair visum aan leden van het gezin houdt een erkenning in van hun bijzonder kwetsbare situatie. Door de toekenning van het humanitair visum, heeft de Belgische Staat, volgens de rechtbank, in zekere mate rechtsmacht in de zin van artikel 1 EVRM. De rechter verduidelijkt dat de ‘zekere mate van rechtsmacht’ inhoudt dat er een afweging gemaakt wordt waarbij men kan verwachten dat beperkte en specifieke handelingen kunnen gesteld worden teneinde het beschermingsstatuut dat aan het gezin is toegekend ook effectief vorm te geven. Het gaat niet zover om te verwachten dat het verantwoordelijkheid legt bij de Belgische Staat om consulaire bijstand te verlenen.
Meer info
- Rb Brussel 17-12-2025, nr. 2025/101/C
- Art. 75 Consulair Wetboek
- Lees ook ons dossier Gaza
- Zie ook
- Rb Brussel 25-7-2025, nr. 25/157/C, lees ook ons artikel 'Plaats op evacuatielijst Gaza noodzakelijk voor feitelijk uitoefenen recht op gezinshereniging'
- Rb Brussel 17-12-2025, nr. 2025/101/C
- Rb Brussel 22-10-2025, nr. 25/80/C en 25/81/C
- Rb Brussel 14-8-2024, nr. 2024/50/C
- HvB Brussel 11-2-2025, nr. 2024/KR/60
- HvB Brussel 9-3-2026, nr. 2025/KR/72 (in andere zin: gunst van toekenning humanitair visum leidt niet tot verplichting voor Belgische Staat om ook gunst van evacuatie toe te kennen)