RvV: geen bestaansmiddelenvereiste bij gezinshereniging met minderjarig Belgisch kind ook bij gelijktijdige aanvraag van minderjarig derdelands kind met Belgische vader
In het kort
Als een derdelands moeder en een derdelands kind van hetzelfde gezin gezinshereniging aanvragen met respectievelijk een Belgisch kind en de Belgische vader van het gezin, kan de bestaansmiddelenvereiste niet worden toegepast. Dat stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in arrest 320.855 van 29-1-2025.
Een minderjarig Marokkaans kind vroeg gezinshereniging aan met haar Belgische vader. De moeder van het kind diende een aanvraag gezinshereniging in met een ander kind van het gezin dat de Belgische nationaliteit had. De aanvraag van de moeder werd goedgekeurd. DVZ weigerde die van de dochter omdat de vader geen actieve zoektocht naar werk aantoonde hoewel hij een werkloosheidsuitkering ontving. Dus, de bestaansmiddelenvereiste werd toegepast op de aanvraag gezinshereniging van het minderjarig kind met een Belgische ouder.
Echter, de moeder van het gezin had geen gezinshereniging aangevraagd met haar echtgenoot, wel met haar Belgisch kind. In dat geval is er geen wettelijk voorwaarden van bestaansmiddelen. Het Marokkaans kind had gezinshereniging aangevraagd met haar Belgische vader. In dergelijk geval is er ook geen bestaansmiddelenvereiste.
In de bestreden beslissing lichtte DVZ niet toe waarom de uitzondering op de bestaansmiddelenvereiste niet toegepast werd. In de verweernota werd gesteld dat de term 'vergezellen' of 'zich voegen bij' gebaseerd is op de feitelijke situatie. In dit geval werd de Belgische referentiepersoon (de vader) niet enkel vergezeld door zijn minderjarig kind dat gezinshereniging aanvroeg met hem, maar ook door de moeder van de kinderen. DVZ meende dat de moeder de bestaansmiddelenvereiste omzeilde door geen aanvraag gezinshereniging ingediend te hebben.
De RvV spreekt dit tegen: deze motivering wordt niet vermeld in de bestreden beslissing en is bovendien onjuist, de moeder diende weldegelijk een aanvraag gezinshereniging in, maar dan met haar minderjarig Belgisch kind, niet met haar echtgenoot. Deze aanvraag was rechtsgeldig ingediend en goedgekeurd. Uit de wet blijkt niet dat de moeder verplicht was samen met haar ander kind gezinshereniging aan te vragen met haar echtgenoot. Vaste rechtspraak, bevestigd door de Raad van State bevestigde reeds dat de aanwezigheid op het grondgebied van de andere ouder dan die waarmee gezinshereniging wordt aangevraagd geen invloed heeft op de beoordeling van de aanvraag die uitsluitend in hoofde van de minderjarige kinderen geldt.