Cass: Fedasil mag opvang bij volgend verzoek niet beperken zonder toetsing waardige levensstandaard
In het kort
Om de materiële hulp bij een volgend verzoek om internationale bescherming wettig te kunnen beperken of intrekken overeenkomstig artikel 4, § 1, 3° van de Opvangwet, moet Fedasil nagaan of het recht op een waardige levensstandaard gewaarborgd blijft in de specifieke situatie van de betrokken verzoeker om internationale bescherming. Die feitelijke overwegingen moet Fedasil uitdrukkelijk vermelden in de beslissing.
In het verzoekschrift haalde Fedasil aan dat artikel 45 van de Opvangwet – dat voorziet in de tijdelijke of definitieve uitsluiting van de materiële hulp als sanctie – voorziet dat de verzoeker zelf moet aantonen dat hem geen menswaardige levensstandaard kan worden verzekerd en hiertoe een verzoek moet indienen. Fedasil trok deze redenering door naar beperkingen van de materiële hulp omwille van een volgend verzoek (de zogenaamde ‘no show volgend verzoek’-beslissingen) en argumenteerde dat de verantwoordelijkheid ook daar bij de verzoeker ligt om aan te tonen dat het recht op een menswaardige levensstandaard is geschonden.
Het Hof van Cassatie bevestigt in arrest S.23.0030.N van 22 september 2025 dat Fedasil door deze sancties inderdaad het recht op materiële hulp kan beperken tot medische begeleiding, zonder te moeten nagaan dat het recht op een menswaardige levensstandaard gewaarborgd blijft voor de betrokken verzoeker. De sanctie kan vervolgens worden verminderd of opgeheven als de verzoeker aantoont dat hem door deze sanctie geen menswaardige levensstandaard kan worden verzekerd. Het Hof benadrukt echter dat deze redenering niet kan worden doorgetrokken naar de no show-beslissingen omwille van een volgend verzoek, overeenkomstig artikel 4, § 1, 3° Opvangwet. In dat geval moet Fedasil altijd nagaan of de betrokkene een menswaardige levensstandaard behoudt.
De enkele vaststelling dat de verzoeker in het in artikel 4, § 1, 3° van de Opvangwet bedoelde geval verkeert – namelijk een volgend verzoek heeft ingediend, volstaat niet als wettige verantwoording voor het tijdelijk beperken van de materiële hulp.
De feiten, het vonnis en het arrest ten grondslag aan dit Cassatiearrest dateren van voor de inwerkingtreding van de nieuwe opvangweigeringsgronden toegevoegd in artikel 4, § 1, 5° (M-status) en 6° (verzoek in eigen naam door begeleide minderjarige). Artikel 4, § 4 dat het recht op een waardige levensstandaard waarborgt voor 3° (volgende verzoeken) is echter ook van toepassing op 5° en 6°. De redenering van het Hof van Cassatie voor volgende verzoeken lijkt ons dus ook van toepassing op deze nieuwe bepalingen.