Voorwaarden gezinshereniging echtgenoot of gelijkgestelde partner Belg

Voorwaarden en documenten

Je moet 218 euro betalen als bijdrage in de administratieve kosten voor de behandeling van je aanvraag. Tenzij je vrijgesteld bent. Lees meer over vrijstellingen en procedure retributie. 

Jijzelf, of een derde persoon, schrijft dit bedrag over op bankrekening BE57 6792 0060 9235 van de Dienst Vreemdelingenzaken.

In de mededeling vermeld je je naam, voornaam, geboortedatum en nationaliteit. Voor de mededeling moet je volgende structuur gebruiken: NaamVoornaamNationaliteitDDMMJJJJ.

Je bewijst dat je de retributie betaald hebt met een bewijs van betaling, zoals een rekeninguittreksel of een stortingsbewijs met stempel van de post.

Je moet je identiteit bewijzen. Dat doe je normaal met een geldig paspoort of nationale identiteitskaart. Als je visumplichtig bent moet je in principe ook een visum hebben.

Maar je mag het bewijs van je identiteit ook leveren met:

  • een vervallen paspoort
  • een vervallen identiteitskaart
  • een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, afgegeven door een andere lidstaat van de EER
  • een duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, afgegeven door een andere lidstaat van de EER
  • enig ander bewijs van je identiteit

In de praktijk aanvaardt DVZ enkel documenten met biometrische en veiligheidskenmerken (bijv. foto en/of vingerafdrukken). 

Als je bij binnenkomst in België niet in het bezit bent van een geldige identiteitskaart of paspoort en, eventueel, geldig visum, kan DVZ een administratieve geldboete opleggen van 200 euro. 

Je bent de echtgenoot of gelijkgestelde partner. 

> Wat is een 'gelijkgestelde partner'? 

Je bewijst dat met een huwelijksakte of een akte van geregistreerd partnerschap.

In de praktijk vraagt DVZ ook bijkomende documenten ter controle van de vorm- en grondvoorwaarden van een buitenlands huwelijk: 

  • een kopie van de volmacht als het gaat om een huwelijk bij volmacht, of 
  • een bewijs van ontbinding van het vorige huwelijk of bewijs van overlijden als jij of de gezinshereniger opnieuw in het huwelijk zijn getreden.

Heb je geen Belgische maar een buitenlandse akte? Dan moet je die eventueel laten legaliseren of voorzien van een apostille. Ga dit na op de website van de FOD Buitenlandse zaken. Als de akte in een andere taal opgesteld is dan het Nederlands, Frans, Duits of Engels, moet een beëdigd vertaler de akte vertalen. De Belgische ambassade werkt samen met een aantal beëdigde vertalers. Contacteer de ambassade om te weten op welke vertalers je een beroep kan doen. 

Als je geen officiële akte kan voorleggen, kan DVZ rekening houden met ‘andere geldige bewijzen’

In de omzendbrief van 17 juni 2009  geeft men volgende voorbeelden van 'andere geldige bewijzen' die DVZ kan aanvaarden als bewijs van verwantschap: 

  • akte van een traditioneel huwelijk
  • een notariële akte, gehomologeerd door de bevoegde overheid
  • een religieuze akte
  • een nationale identiteitskaart die de huwelijksband vermeldt
  • uittreksel van de huwelijksakte
  • een vervangend vonnis

De omstandigheid dat je geen officiële documenten kan voorleggen moet ontstaan zijn onafhankelijk van je wil. Dat is zo in de volgende gevallen:

  • België erkent het betrokken land niet.
  • Je persoonlijke situatie is moeilijk verzoenbaar met een terugkeer naar de betrokken staat of met een contact met zijn overheden.

Soms maakt de interne situatie van het betrokken land het niet mogelijk om een officiële akte voor te leggen, doordat:

  • de documenten vernietigd werden en er geen enkel ander middel bestaat om ze te vervangen.
  • de bevoegde nationale overheden niet naar behoren functioneren.
  • de bevoegde nationale overheden niet meer bestaan.

Als je ook geen ‘andere geldige bewijzen’ kan voorleggen, kan DVZ of de Belgische ambassade je uitnodigen voor een gesprek en kan DVZ overgaan tot elk ander onderzoek dat het nodig vindt. Als er gemeenschappelijke kinderen zijn stelt DVZ soms voor om een DNA-analyse uit te voeren om de verwantschap tussen de ouders te bewijzen.

België moet het buitenlands huwelijk of geregistreerd partnerschap ook (willen) erkennen. In principe gebeurt dat de plano door de Belgische overheid aan wie de akte voorgelegd wordt (bv. DVZ of de gemeente). 'De plano' wil zeggen: elke overheid kan autonoom over de erkenning oordelen zonder dat er eerst een procedure voor de rechter gevoerd moet worden. In de praktijk gaat de erkenning vaak gepaard met een onderzoek naar schijnhuwelijk of schijnpartnerschap. 

Wil je een familiesituatie die je in het buitenland geregeld hebt, in België laten erkennen?
> Lees meer over de erkenning van een buitenlands huwelijk.
> Lees meer over de erkenning van een buitenlands partnerschap.

 

Jij en je Belgische echtgenoot of gelijkgestelde partner moeten ouder zijn dan 18 jaar. Dat bewijs je met een paspoort, een geboorteakte of een akte van bekendheid. 

De Belg die je komt vervoegen moet stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen hebben om zichzelf en zijn gezin te onderhouden en niet ten laste te vallen van de sociale bijstand. Volgens de Verblijfswet is dat zeker het geval als de Belg stabiele en regelmatige bestaansmiddelen heeft van minstens 120% van het leefloon tarief ‘persoon met een gezin ten laste’. Het bedrag is gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen. Momenteel bedraagt het 

2.173,88 euro netto/maand

Onder dit bedrag mag DVZ de aanvraag gezinshereniging niet automatisch weigeren. DVZ moet eerst een individuele behoefteanalyse maken om te bepalen welke bestaansmiddelen jullie gezin nodig heeft om te voorzien in jullie behoeften, zonder (structureel) ten laste te vallen van de sociale bijstand. Dit volgt uit het arrest Chakroun.  Je bezorgt dan best bij je aanvraag gezinshereniging alle nuttige gegevens zodat DVZ de financiële toestand van je gezin kan beoordelen. Geef bijvoorbeeld een gedetailleerd overzicht van de maandelijkse inkomsten en uitgaven en toon aan waarom je gezin niet ten laste zal vallen van de sociale bijstand ondanks het feit dat jullie inkomen lager ligt dan 120% van het leefloon.

Je hoeft geen bijkomende bewijzen toe te voegen als het voorgelegd inkomen van de Belg gelijk is aan of hoger dan het wettelijke referentiebedrag. Dit volgt uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. 
 

Richtlijn 2003/86/EG

De inkomensvereiste komt voort uit EU-richtlijn 2003/86/EG over gezinshereniging met derdelanders, maar wordt in België ook toegepast op gezinshereniging met Belgen die geen gebruik maken van het vrij personenverkeer. Uit vaste rechtspraak volgt dat de inkomenseis voor Belgen richtlijnconform geïnterpreteerd moet worden nu de Belgische wetgever ervoor koos om Belgen op vlak van gezinshereniging op dezelfde wijze te behandelen als derdelanders. Volgens de richtlijn mogen lidstaten het bewijs vragen van “stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om het gezin te onderhouden, zonder een beroep te doen op de sociale bijstand van de gastlidstaat”. Volgens het HvJ gaat dit niet om bijzondere, individueel bepaalde of occasionele sociale bijstand maar om algemene, structurele sociale bijstand.  In België kan een gezin met een inkomen van minstens 100% van het leefloon tarief ‘persoon met een gezin ten laste’ niet structureel ten laste vallen van de sociale bijstand in de zin van de richtlijn, zoals geïnterpreteerd door het HvJ.

Belgische Verblijfswet en praktijk DVZ

Volgens de Belgische Verblijfswet heeft een Belg toereikende bestaansmiddelen wanneer hij een inkomen heeft van minstens 120% van het leefloon tarief ‘persoon met gezin ten laste’.  De Verblijfswet legt dus een hogere inkomenseis op dan toegelaten door het Unierecht.

De volgende inkomsten zijn volgens de Verblijfswet uitgesloten en tellen niet mee voor de berekening van de bestaansmiddelen:

  • leefloon
  • maatschappelijke dienstverlening
  • gezinsbijslag
  • wachtuitkering
  • overbruggingsuitkering
  • werkloosheidsuitkering, tenzij de Belg bewijst dat hij of zij actief werk zoekt. De Belg moet niet bewijzen dat hij actief op zoek is naar werk als hij vrijgesteld is van de verplichting om beschikbaar te zijn op de arbeidsmarkt, conform artikel 89 en 98bis van het koninklijk besluit werkloosheidsreglementering van 25 november 1991. Dit volgt uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. 

Het moet gaan om stabiele en regelmatige bestaansmiddelen. Om die reden weigert DVZ vaak inkomsten uit:

  • interimarbeid (tenzij bij een ononderbroken tewerkstelling van minstens één jaar of na een periode van werkloosheid)
  • tijdelijke arbeidsovereenkomsten
  • een 'artikel 60 tewerkstelling'

DVZ vraagt dat je bij voorkeur bewijzen overmaakt van bestaansmiddelen van de laatste 12 maanden.

Je kan toereikende en stabiele bestaansmiddelen o.m. bewijzen met:

  • loonfiches
  • maaltijdcheques
  • netto huurinkomsten. Hoe dit precies berekend wordt vind je op de website van DVZ.
  • het meest recente aanslagbiljet in de personenbelasting
  • een arbeidscontract
  • rekeninguittreksels
  • pensioenfiches
  • bewijzen van het actief zoeken naar werk, in combinatie met het bewijs van de werkloosheidsuitkering
  • inkomsten uit een zelfstandige activiteit moeten met specifieke documenten bewezen worden. Je vindt een gedetailleerd overzicht van de vereiste bewijzen op de website van DVZ.

DVZ houdt alleen rekening met de eigen bestaansmiddelen van de Belg en dus niet met jouw inkomsten of eventuele inkomsten van derden. Deze praktijk staat op gespannen voet met rechtspraak van het Hof van Justitie. Uit een arrest van de Raad van State volgt dat DVZ ook rekening moet houden met inkomsten die de gezinshereniger ontvangt van een familielid, bv. via een doorlopende opdracht. 

Voor meer info, lees ons rechtspraakoverzicht over de bestaansmiddelenvoorwaarde bij gezinshereniging.

 

Voor aanvragen gezinshereniging vanaf 18 augustus 2027 zal de nieuwe bestaansmiddelenvereiste van toepassing zijn. Aan de aard van de bestaansmiddelen verandert niet, wel aan het referentiebedrag en aan de behoefteanalyse.

REFERENTIEBEDRAG

Het referentiebedrag wordt gebaseerd op het gemiddeld gewaarborgde minimum maandinkomen (GGMMI) . Je zal netto over 110% van het GGMMI moeten beschikken als 1 gezinslid een aanvraag tot gezinshereniging doet. Momenteel is dit

2.408,79 euro netto/maand

 

Dit basisbedrag wordt verhoogd met 10% per gezinslid ten laste, in België en in het buitenland. DVZ beschouwt de 110% van het GGMMI als het basisbedrag. 

Om dit te beoordelen zal DVZ in elk dossier onderzoeken welke gezinsleden als ten laste beschouwd moeten worden. DVZ zal het rijksregister of andere databanken consulteren.

  • De gezinsleden die vanuit het buitenland komen worden steeds beschouwd als ten laste door DVZ, zij beschouwen dit als een onweerlegbaar vermoeden, ongeacht de bestaansmiddelen die deze personen zouden voorleggen indien zij nog steeds een inkomen zouden hebben nadat zij zich in België zouden vestigen.
  • Minderjarige inwonende kinderen worden ook steeds als ten laste beschouwd, al kan bij co-ouderschap rekening gehouden worden met de concrete situatie (DVZ zal hiermee rekening houden bij de uitvoering van de behoefteanalyse).
  • Meerderjarige inwonende personen:
    • Bij inwonende volwassenendie verwant zijn aan de referentiepersoon wordt nagegaan of zij voorzien in hun eigen onderhoud, ongeacht of zij afhankelijk zijn van de sociale bijstandsstelsels. Dit is het geval ongeacht  de graad van verwantschap. Er is geen specifiek bedrag dat zij moeten verdienen om niet als ten laste beschouwd te worden, dit zal in concreto beoordeeld worden. 
    • Inwonende volwassenen die niet verwant zijn aan de referentiepersoon worden niet beschouwd als ten laste. DVZ raadt aan dat je hen informeert indien een inwonende volwassene niet verwant is.

Voorbeeld: de referentiepersoon verblijft alleen in België en zijn partner en twee minderjarige kinderen doen een aanvraag gezinshereniging. Het referentiebedrag is 110% (vb. als enkel partner vraagt om gezinshereniging) + 20% van 110% van het GGMMI(10% per kind dat vraagt om gezinshereniging te genieten).

De uitzondering op de bestaansmiddelenvereiste blijft behouden bij begunstigden van internationale bescherming, staatlozen en tijdelijk beschermden (in zoverre er een bestaansmiddelenvereiste van toepassing is voor deze personen) wanneer enkel minderjarige of meerderjarige kinderenmet een handicap de referentiepersoon vervoegen.

BEHOEFTEANALYSE

Als je het referentiebedrag niet kan aantonen, kan je een behoefteanalyse vragen. De bewijslast voor de behoefteanalyse ligt echter volledig bij de aanvrager . De overheid (DVZ) heeft niet meer de plicht om stukken op te vragen. De aanvrager moet bij de aanvraag op eigen initiatief stukken voorleggen die aantonen dat het gezin genoeg bestaansmiddelen heeft om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Je kan dat als aanvrager doen met alle bewijsmiddelen, documenten en inlichtingen. 

Zo kan je in het kader van de behoefteanalyse het (gemiddeld) maandelijks inkomen voorleggen van de referentiepersoon. Daarnaast leg je bewijzen voor van de uitgaven van de referentiepersoon, met bewijsstukken zoals facturen van allerhande betalingen zoals verzekeringen (brandverzekering, autoverzekering, hospitalisatieverzekering etc.), huurlasten of hypotheekaflossingen, facturen voor water, gas en elektriciteit, internet- en GSM-facturen, belastingen, mobiliteit (openbaar vervoer, auto),  uitgaven aan dagelijkse kosten zoals supermarkten, bijvoorbeeld op basis van rekeninguittreksels, vrije tijdsuitgaven, kledij, vakantie etc.

DVZ neemt in het kader van de behoefteanalyse ook bewijsstukken mee zoals een simulatie, gemaakt door de werkgever, van de toekomstige wedde van de referentiepersoon. Als de referentiepersoon (een) pers(o)on(en) ten laste zal hebben bij goedkeuring van de aanvraag gezinshereniging, zal diens nettoloon immers hoger zijn dan op het ogenblik dat deze gezinsleden nog niet ten laste vallen van de referentiepersoon. Een dergelijke simulatie kan dan ook helpen om aan te tonen dat men kan voorkomen dat het gezin in de toekomst ten laste zal vallen van de sociale bijstandsstelsels.

DVZ zal, indien er minderjarige kinderen zijn waarbij er een regeling is inzake co-ouderschap, in het kader van de behoefteanalyse rekening houden met deze regeling. Indien de betrokken kinderen bijvoorbeeld 50% van de tijd bij een andere ouder verblijven, zal DVZ hiermee rekening houden bij de beoordeling van de behoeften van het gezin, nu deze kinderen slechts deels ten laste zijn van de referentiepersoon.

 

Volgens de Verblijfswet moet de Belg over voldoende huisvesting beschikken om je op te vangen. Er werd echter nooit een Koninklijk Besluit vastgesteld dat de wijze bepaalt waarop de Belg dit moet aantonen. Om die reden aanvaardt DVZ elk bewijsmiddel. Bijvoorbeeld een kopie van een huurcontract, plaatsbeschrijving, attest van MyRent, notariële eigendomsakte, bankattest met betrekking tot de hypothecaire lening, attest van de betaling van de onroerende voorheffing, enz.

Als de woning onbewoonbaar verklaard is, weigert DVZ je aanvraag. 

Zorg ervoor dat je bewijzen actueel zijn. 
 

Leg de bewijzen van huisvesting voor van het adres waar de gezinshereniger effectief woont op het moment van de aanvraag gezinshereniging. Het heeft geen zin om een huurcontract of eigendomsakte af te geven van een woning waar je gezin pas later zal intrekken (bijv. na de gezinshereniging). Zelfs al is die woning ruimer en beter geschikt. Op de wachtlijst staan voor een sociale woning, voldoet niet als bewijs. Wanneer de gezinshereniger reeds in een (te kleine) sociale woning woont, kan hij wel een attest bekomen van de sociale huisvestingsmaatschappij waarin staat dat het gezin, na aankomst van de familieleden in België, prioritair een aangepaste (lees: grotere) sociale woning kunnen krijgen. De huurder dient de huisvestingsmaatschappij uiteraard wel te informeren over de lopende aanvraag gezinshereniging of de intentie om een aanvraag gezinshereniging in te dienen. Dit attest van de sociale huisvestingsmaatschappij wordt door DVZ wel aanvaard.

In de praktijk eist DVZ niet dat de gezinshereniger zelf als huurder vermeld staat in het geregistreerd huurcontract of als eigenaar in de notariële verkoopakte. Het volstaat dat hij op dat adres woont en dat dit blijkt uit het rijksregister. De persoon die als huurder vermeld staat in de huurovereenkomst of als eigenaar in de notariële eigendomsakte moet wel een familielid zijn van de persoon die je in België komt vervoegen.

DVZ, niet de gemeente, oordeelt of er voldoende huisvesting is. De gemeente gaat alleen na of je de vereiste documenten overmaakte (als je de aanvraag gezinshereniging in België indient).

Jij en de gezinshereniger moeten beiden verzekerd zijn voor ziektekosten in België.

Bij een aanvraag in België kan je dat bewijs leveren met:

  • het bewijs van aansluiting bij een Belgisch ziekenfonds van jezelf en de gezinshereniger.
  • een privéziekteverzekering. De privéziekteverzekering dekt de risico’s in België gedurende minstens 3 maanden, voor een bedrag van 30.000 euro. Je moet ook bewijzen dat de gezinshereniger aangesloten is bij een Belgisch ziekenfonds.
  • een buitenlandse ziekteverzekering. De buitenlandse ziekteverzekering moet de risico’s in België dekken. DVZ vermeldt de buitenlandse ziekteverzekering niet op zijn website als mogelijk bewijs, maar de Verblijfswet sluit dat niet uit. Je moet ook bewijzen dat de gezinshereniger aangesloten is bij een Belgisch ziekenfonds.

Bij een aanvraag in het buitenland kan je het bewijs leveren met:

  • een modelattest van het Belgisch ziekenfonds van de gezinshereniger. Het modelattest bevestigt dat jij je in België kan aansluiten bij het ziekenfonds vanaf je aankomt in België. Dit is alleen mogelijk voor de echtgenoot ten laste en kinderen jonger dan 25 jaar van de (verzekerde) gezinshereniger.
  • een privéziekteverzekering. De privéziekteverzekering dekt de risico’s in België gedurende minstens 3 maanden, voor een bedrag van 30.000 euro. Je moet ook bewijzen dat de gezinshereniger aangesloten is bij een Belgisch ziekenfonds.
  • een buitenlandse ziekteverzekering. De buitenlandse ziekteverzekering moet de risico’s in België dekken. De DVZ vermeldt de buitenlandse ziekteverzekering niet op zijn website als mogelijk bewijs, maar de Verblijfswet sluit dat niet uit. Je moet ook bewijzen dat de gezinshereniger aangesloten is bij een Belgisch ziekenfonds.

Je moet je echtgenoot of partner in België begeleiden of je bij hem voegen. Dat betekent dat jullie feitelijk een gezinscel moeten vormen en minimale echtelijke relaties moeten onderhouden.

Samenwonen met je echtgenoot of partner is strikt genomen geen vereiste om een gezinscel te vormen. Als je tijdens de week gescheiden leeft, om professionele of andere redenen, en je je tijdens het weekend bij hem voegt, dan vormen jullie ook een gezinscel. Als je wel samenwoont met je echtgenoot of partner moet je geen bijkomende bewijzen voorleggen. De gezinscel blijkt dan uit de samenwoonst.