Raad van State schorst instructie opvangweigering voor M-Status

In het kort

Op 17 juni werd door Fedasil een instructie gegeven dat verzoekers die al een bescherming kregen in een andere lidstaat (zgn. 'M-Status') geen recht meer hebben op opvang.

Op 8 juli 2026 schorste de Raad van State de beslissing van de Minister van Asiel en Migratie tot die instructie. De Europese regelgeving laat op het eerste zicht niet toe om deze verzoeken gelijk te stellen met een "volgend verzoek". Daarom wordt de maatregel voorlopig geschorst.

Redenering van de Raad van State

Op 8 juli 2026 legde de Raad van State bij arrest nr. 267.364 de schorsing op van de beslissing van de Minister om (opnieuw) de opvang te weigeren aan personen die een verzoek tot internationale bescherming indienen, maar in een andere lidstaat al internationale bescherming hebben gekregen (personen met een 'M-Status').

De richtlijn (EU) 2024/1346 (Opvangrichtlijn) laat toe om de opvang te beperken voor personen die een volgend verzoek indienen, maar de Raad stelt dat het verzoek van iemand bescherming in een andere lidstaat niet gelijkgesteld kan worden met zo'n "volgend verzoek".

De Minister gaf als reden om die personen op dezelfde manier te behandelen, het feit dat de Asielprocedureverordening (APR) een "volgend verzoek" omschrijft als elk verzoek dat is ingediend na een definitieve beslissing in een andere lidstaat.

De Raad stelt nu dat, op het eerste zicht, een M-Status verzoek niet gelijkgesteld mag worden met een volgend verzoek omdat de APR zelf voorziet in verschillende bepalingen voor die twee soorten verzoeken. De APR gebruikt de term ‘volgend verzoek’ enkel in de artikelen die duidelijk gaan over een volgend verzoek na een negatieve beslissing, en regelt de behandeling van verzoekers die al bescherming hebben in een andere lidstaat in een aparte bepaling.

Volgens de Raad van State is er ook een belangrijk verschil in behandeling wat betreft het recht om te blijven, maar hierbij verwijst de Raad naar een oude versie van artikel 68 APR, dat door Verordening (EU) 2026/463 van 24 februari 2026 is gewijzigd, waarbij dat verschil in behandeling werd opgeheven.

Om die redenen oordeelt de Raad van State dat enkel de definitie van artikel 3, punt 19° APR op zich onvoldoende is om te besluiten dat de verzoeken van iemand met bescherming in een andere lidstaat, genoemd in artikel 38, lid 1, c) APR, volledig gelijkgeschakeld moeten worden met gewone "volgende verzoeken" genoemd in artikel 38, lid 2 APR en lid 55 APR.

De Raad van State oordeelt dan ook, voorlopig, dat een asielaanvraag van iemand die reeds internationale bescherming heeft gekregen in een andere EU-lidstaat niet automatisch als een "volgende aanvraag" kan worden beschouwd, en schorst de instructie om voor die verzoekers de opvang te weigeren

Gevolgen

Door de instructie te schorsen, dient Fedasil vanaf 8 juli 2026 de aanvragen tot opvang voor personen met een M-status opnieuw te behandelen als aanvragen van verzoekers met een eerste verzoek om internationale bescherming, en niet als verzoekers met een volgend verzoek.