Heeft een verzoeker om internationale bescherming recht op opvang?

Asielopvangcrisis

Verzoekers om internationale bescherming hebben tijdens hun asielprocedure recht op materiële opvang. Sinds september 2021 verloopt deze opvang echter gebrekkig. Zowel Fedasil als de Belgische staat zijn hiervoor meermaals veroordeeld geweest door de rechter. In ons dossier asielopvangcrisis geven we je een overzicht van regelgeving, rechtspraak, situaties en gevolgen van dit gebrekkig opvangbeleid met specifieke aandacht voor de 'oneigenlijke' code 207 no show. 

Basis: recht op materiële opvang

Als verzoeker om internationale bescherming (verzoeker) heb je recht op materiële opvang vanaf het doen van je verzoek om internationale bescherming en tijdens je hele asielprocedure. Behalve de verzoeker hebben ook bepaalde familieleden recht op materiële opvang, namelijk:

  • echtgenoot of partner waarmee je een duurzame relatie hebt 
  • minderjarige kinderen en meerderjarige kinderen ten laste 
  • (groot)ouders

Ook andere familieleden kunnen genieten van het recht op materiële opvang.(Zie: instructie Fedasil van toewijzing, opheffing van verplichte plaats van inschrijving van 24 oktober 2007)

In de praktijk heb je evenwel pas recht op opvang vanaf het registreren of indienen van je verzoek.

In een aantal gevallen wordt je recht op opvang beperkt of ingetrokken, namelijk bij: 

  1. Eigen bestaansmiddelen of werk
  2. Volgend verzoek om internationale bescherming
  3. Unieburgers 
  4. Overdrachtsbesluit naar bevoegde lidstaat (AMMR, vroeger: Dublin)
  5. Andere redenen voor beperking of intrekking opvang

Uitzondering: asielzoekers met inkomen uit werk

Als je aan de volgende voorwaarden voldoet, heb je als VIB die materiële hulp heeft in een opvangstructuur en er ook daadwerkelijk verblijft, een meldingsplicht: 

  • Je bent meerderjarig
  • Je kreeg toelating om een beroepsactiviteit als werknemer of als zelfstandige uit te oefenen én 
  • Je werkt als 
    • werknemer, 
    • als zelfstandige of 
  • Je ontvangt een werkloosheidsuitkering. Ook de tewerkstellingspremies of de inkomsten ter vervanging van werkloosheidsuitkeringen worden meegerekend 

Je moet de opvangstructuur waar je verblijft, schriftelijk op de hoogte brengen van alle elementen over je beroepssituatie en de evolutie in je beroepssituatie.

De bijdrage bedraagt in principe 50% van het brutoloon, de beroepsinkomsten of de uitkering. Maar, er gelden progressieve tarieven als je spontaan bijdraagt, zonder te wachten op controle door Fedasil

De volgende categorieën van personen zijn vrijgesteld van de bijdrageplicht: 

  • De verzoekers van wie de verplichte plaats van inschrijving is opgeheven vanaf de beslissing tot opheffing.
  • De begunstigden van de materiële opvang die de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus hebben gekregen. Zij zijn vrijgesteld vanaf de positieve beslissing over hun status.
  • Minderjarigen die als student werken
  • Personen die vrijwilligerswerk doen 

Met betrekking tot de inkomsten die aanleiding geven tot een opheffing van de verplichte plaats van inschrijving en dus vertrek uit het opvangcentrum, blijven de voorwaarden bij een ‘stabiele en duurzame arbeidssituatie’ ongewijzigd: 

  • Je hebt beroepsinkomsten die hoger liggen dan het equivalent leefloon dat je zou krijgen als je aan de voorwaarden van de OCMW-wet zou voldoen.
  • Het KB  verduidelijkt dat er sprake is van een duurzame arbeidssituatie van zodra er een beroepsactiviteit van 6 opeenvolgende maanden is voorzien of nadien aangetoond kan worden.

De verzoeker die niet wenst bij te dragen, kan ook vrijwillig de opheffing aanvragen. 

Fedasil heeft de mogelijkheid om de verplichte plaats van inschrijving op te heffen wanneer de verzoeker voldoet aan bovenvermelde criteria. De VIB blijft materiële hulp ontvangen tijdens de twee maanden na opheffingsbeslissing. Deze opheffing vindt ten vroegste plaats wanneer hij het beoogde ‘loon’  daadwerkelijk voor de tweede maal heeft ontvangen.

Zelfs wanneer de VIB voldoet aan de hierboven beschreven cumulatieve voorwaarden kan Fedasil beslissen om toch geen opheffing te doen; in het bijzonder wanneer

  • de familiale, sociale of medische situatie van de begunstigde van de opvang of 
  • de stand van zijn procedure om internationale bescherming dit rechtvaardigt. 

Het valt op dat het KB in geval van een opheffing door Fedasil geen melding maakt van een bijkomend onderzoek naar de zelfredzaamheid van de verzoeker. In recente vonnissen oordeelde de arbeidsrechtbank Gent dat daar waar de verzoeker voldoet aan bovenstaande voorwaarden, een opheffingsbeslissing niet zonder meer wettig is. Een opheffing van de opvang is niet aan de orde wanneer er twijfels bestaan over de zelfraadzaamheid van de verzoeker. De uitzondering geformuleerd onder artikel 11 KB lijkt eerder een gunst, dan een positieve verplichting voor Fedasil om de zelfredzaamheid in acht te nemen.

Het nieuwe KB kent Fedasil enkele nieuwe bevoegdheden toe zodanig dat zij controle kan uitoefenen op de tewerkstelling van de bewoners van de opvangstructuren. Fedasil krijgt de mogelijkheid om persoonsgegevens op te vragen bij de instellingen van sociale zekerheid, in het bijzonder waar de beroepsinkomsten niet zijn meegedeeld door verzoeker zelf.  

Fedasil kan verdere materiële hulp beëindigen aan personen die de bijdrageplicht niet volbrengen. Daarbij blijft de medische begeleiding wel behouden. Dit dient te gebeuren met een gemotiveerde beslissing op grond van de specifieke situatie van de betrokkene. 

Uitzondering: volgend verzoek om internationale bescherming

Als je een tweede, derde, ... verzoek om internationale bescherming indient, kan Fedasil op grond van de Opvangwet beslissen om je recht op opvang te beperken tot enkel medische hulp. Dit kan voor de periode tussen het doen van je verzoek om internationale bescherming en de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) over de ontvankelijkheid van de nieuwe elementen.

Volgens artikel 4 van de Opvangwet mag dit niet automatisch gebeuren en moet Fedasil de beslissing tot beperking individueel motiveren.

Een dergelijke beslissing moet:

  • individueel gemotiveerd zijn
  • worden genomen met inachtname van het redelijkheidsbeginsel
  • rekening houden met de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor kwetsbare personen (vb. minderjarigen)
  • het recht op medische begeleiding en het recht op een waardige levensstandaard waarborgen, dat laatste wordt in de Memorie van Toelichting omschreven als een "basis aan materiële hulp".

Het Grondwettelijk Hof stelde in zijn arrest nr. 95/2014 van 30 juni 2014 bovendien dat de toepassing van artikel 4 van de Opvangwet enkel gerechtvaardigd is in geval van misbruik. Het doel is meervoudige verzoeken om internationale bescherming te voorkomen wanneer die enkel worden ingediend om het verblijf in de opvang te verlengen.

In de praktijk ontbreekt de individuele motivering waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie of kwetsbaarheid van de betrokkene meestal. De beperking van de opvang bij volgende verzoeken gebeurt dan ook eerder systematisch. Fedasil werd hiervoor al herhaaldelijk veroordeeld. Ook de federale ombudsman heeft Fedasil hierover al geïnterpelleerd. De beperking gebeurt door een fictieve code 207 ‘no show’ toe te kennen aan de verzoeker.

Het gevolg hiervan is dat er geen recht op opvang is (noch op maatschappelijke dienstverlening vanwege het OCMW), tot wanneer het CGVS een beslissing tot ontvankelijkheid neemt. Het recht op tenlasteneming van de medische kosten door Fedasil blijft wel behouden.

Eens het CGVS het dossier ontvankelijk heeft verklaard, kan je je als verzoeker weer aanmelden bij de dienst Dispatching voor een opvangplaats. Wanneer het CGVS een beslissing tot niet-ontvankelijkheid neemt, ontstaat er geen automatisch recht op opvang meer. Ook niet als er een schorsend beroep bij de RVV wordt ingediend.

Als je vergezeld bent van een familielid dat zelf een eerste verzoek om internationale bescherming indient, bijvoorbeeld je zoon of dochter, kan Fedasil je wel nog samen met dit familielid aan een opvangstructuur toewijzen.

Had je nog een recht op materiële hulp verbonden aan je vorige asielprocedure, omdat het BGV bijvoorbeeld nog niet betekend was bij het einde van de vorige asielprocedure, dan vervalt dat recht bij het indienen van het nieuw verzoek om internationale bescherming. De instructie van Fedasil van 6 maart 2015 verbindt je recht op materiële hulp immers aan de meest recente asielprocedure.

Deze instructie voorziet één uitzondering op deze regel: je behoudt je recht als je vóór het nieuwe verzoek om internationale bescherming een aanvraag tot verlenging van materiële hulp (op basis van artikel 7 Opvangwet) hebt ingediend.

Hoe doe je beroep op deze uitzondering, en hoe verloopt de procedure?

  • De opvangstructuur moet Fedasil (dienst Dispatching) op de hoogte brengen van de aanvraag of beslissing tot verlenging van opvang op basis van artikel 7 Opvangwet. De onbeantwoorde aanvraag tot verlenging moet wel ingediend zijn vóór het nieuwe verzoek om internationale bescherming.
  • De dienst Dispatching van Fedasil zal dan de code 207 ‘no show' weer intrekken.
  • Als Fedasil alleen om deze reden weer opvang toekent, geldt het recht op opvang ook enkel tot de aanvraag tot verlenging van opvang negatief beantwoord is. Of tot de toegekende termijn van verlenging van opvang.

Werd het volgende verzoek om internationale bescherming in de tussentijd al ontvankelijk verklaard door het CGVS, dan is er opnieuw een recht op opvang. De opvangstructuur moet de ontvankelijkheidsbeslissing melden bij de dienst Dispatching van Fedasil. De dienst Dispatching van Fedasil zorgt dan voor een nieuw toewijzingsformulier voor opvang.

Beroepsmogelijkheden tegen een code ‘no show’ toegekend omwille van een volgend verzoek om internationale bescherming: je kan binnen de drie maanden in beroep gaan bij de arbeidsrechtbank. In zeer precaire omstandigheden is het aangewezen om dit bij dringend eenzijdig verzoekschrift of in kort geding te doen. Fedasil wordt vanwege de toekenning van een fictieve code 207 no show geregeld veroordeeld door arbeidsrechtbanken. De federale ombudsman heeft ook extra aandacht voor deze dossiers.

Uitzondering: al internationale bescherming in andere EU-lidstaat (schorsing door GwH)

Door de wet van 14-7-2025 kon Fedasil de materiële hulp beperken tot medische begeleiding als je na 2 augustus 2025 een verzoek in België indiende, terwijl je al internationale bescherming genoot in een andere lidstaat van de Europese Unie ('M-status'). In tegenstelling tot de beperking bij een volgend verzoek, gold deze beperking niet enkel in de ontvankelijkheidsfase. Dit betekent dat deze opvangweigering van kracht bleef gedurende de hele procedure ten gronde, ook als het verzoek de ontvankelijkheidsfilter doorstond. Het gevolg was dat er geen recht op opvang was (noch op maatschappelijke dienstverlening vanwege het OCMW). Het recht op tenlasteneming van de medische kosten door Fedasil bleef wel behouden.

Op 26-2-2026 werd deze wetswijziging geschorst door het Grondwettelijk Hof. Lees meer in ons artikel GwH schorst mogelijkheid tot beperking opvang voor M-status en schrapping opheffing/niet-toewijzing code 207. Dit betekent dat Fedasil opnieuw opvang moet geven aan M-statushouders, minstens tot de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het arrest van het GwH waarbij het definitief uitspraak doet in het vernietigingsberoep.
 

Uitzondering: minderjarig kind met eerste verzoek in eigen naam, na eerdere definitieve negatieve beslissing aan ouders

Fedasil kan de materiële hulp beperken indien een minderjarige in eigen naam een asielaanvraag indient, terwijl een eerdere aanvraag ingediend door de ouders een definitieve negatieve beslissing heeft gekregen. Deze beperking geldt tot een eventuele ontvankelijkheidsbeslissing van het CGVS, waarbij geoordeeld wordt dat de eigen feiten van de minderjarige een afzonderlijk verzoek in eigen naam rechtvaardigen.

Aangezien deze begeleide minderjarigen een eerste verzoek in eigen naam indienen, vallen zij niet onder de definitie van ‘volgend verzoek’. Deze opvangweigeringsgrond voor deze specifieke situatie wordt niet voorzien in de huidige Opvangrichtlijn 2013/33/EU en de vernieuwde Opvangrichtlijn 2024/1346. Het is dan ook de vraag of deze nieuwe weigeringsgrond in overeenstemming is met het Europees recht.

Uitzondering: Unieburgers

Unieburgers die een verzoek om internationale bescherming doen, hebben in principe ook recht op materiële opvang. De Opvangwet sluit hen niet expliciet uit. In de praktijk worden zij echter niet opgevangen. Unieburgers kregen in het verleden een "niet-toewijzing" van Fedasil. Sinds 2 augustus 2025 werd de mogelijkheid voor Fedasil om een niet-toewijzing te doen in bijzondere omstandigheden, geschrapt uit de wet. Het is nog onduidelijk welke beslissing Unieburgers-verzoekers voortaan zullen krijgen.

Uitzondering: overdrachtsbesluit naar bevoegde lidstaat

Voor verzoeken gedaan vanaf 12 juni 2026 wordt het recht op materiële opvang beperkt tot de medische kosten vanaf de afgifte van het overdrachtsbesluit (bijlage 26quater). De menselijke waardigheid van verzoekers moet gewaarborgd blijven.

Voor verzoeken geregistreerd vóór 12 juni 2026 blijft het Dublinsysteem bestaan en is er recht op opvang tot de effectieve overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.

Uitzondering: andere redenen voor beperking of intrekking recht op materiële opvang

Fedasil kan volgens de opvangwet, de opvang ook beperken of, in uitzonderlijke gevallen, intrekken wanneer: 

  • je de opvangplaats die toegewezen werd, weigert, niet benut of verlaat zonder Fedasil op de hoogte te stellen, of zonder toestemming te hebben verkregen
  • je gedurende een redelijke termijn niet voldoet aan de meldingsplicht of aan verzoeken om informatie te verstrekken of te verschijnen voor een persoonlijk onderhoud betreffende de asielprocedure
  • je een sanctie tot uitsluiting van de opvang opgelegd krijgt

In de eerste twee gevallen wordt, wanneer je je terug aanmeldt, een beslissing genomen over het terug verstrekken van sommige of alle opvangvoorzieningen, rekening houdend met de reden voor je verdwijning. 

Elke beperking of intrekking van de opvang moet met een individueel gemotiveerde beslissing gebeuren, die rekening houdt met je specifieke situatie, met name in geval van kwetsbaarheid, en die het redelijkheidsbeginsel in acht neemt. Het recht op medische begeleiding en het recht op een waardige levensstandaard moeten steeds gewaarborgd blijven.

Meer info

Wetgeving

Instructies Fedasil