Voorwaarden gezinshereniging minderjarig (plus)kind van tijdelijk beschermde met lang verblijf na 18-08-2025

Opgelet! Bevind je je nog in het buitenland én heb je zelf nood aan tijdelijke bescherming, dan gelden voor jou andere regels.

Voorwaarden en documenten

Je moet je identiteit bewijzen. Dat doe je normaal met een door België erkend reisdocument (bv. paspoort).

Je moet een kopie voorleggen van het attest tijdelijke bescherming dat je (plus)ouder in België kreeg. Of je kan een kopie van zijn of haar Belgische verblijfsvergunning voorleggen.

Je bent het kind van een persoon met tijdelijke bescherming of van diens echtgeno(o)t(e) of wettelijk geregistreerde partner. 

Dat bewijs je in principe met officiële documenten: een volledig afschrift van de geboorteakte of adoptieakte (en eventueel een erkenningsakte).

Pleegkinderen of kinderen onder buitenlandse voogdij hebben volgens DVZ géén recht op gezinshereniging. Wel kunnen zij onder bepaalde voorwaarden met een humanitair visum naar België komen. 

Heb je geen Belgische maar een buitenlandse akte? Dan moet je die eventueel laten legaliseren of voorzien van een apostille. Ga dit na op de website van de FOD Buitenlandse zaken. Als de akte in een andere taal opgesteld is dan het Nederlands, Frans, Duits of Engels, moet een beëdigd vertaler de akte vertalen. De Belgische ambassade werkt samen met een aantal beëdigde vertalers. Contacteer de ambassade om te weten op welke vertalers je beroep kan doen. 

Let op! Je buitenlandse akte moet ook worden voorgelegd aan de Belgische gemeente waar je (plus)ouder woont. De gemeente heeft het recht een vertaling in de taal van de gemeente te vragen (zoals bepaald door de Belgische taalwetgeving).

DVZ kan rekening houden met andere geldige bewijzen, maar is daartoe niet verplicht. 

In de omzendbrief van 17 juni 2009 geeft men volgende voorbeelden van 'andere geldige bewijzen' die DVZ kan aanvaarden als bewijs van verwantschap:

  • een geboortecertificaat of geboorteattest
  • een huwelijksakte, opgesteld door de Belgische ambtenaar voor de burgerlijke stand, waarin de afstammingsband vermeld wordt
  • een notariële akte, gehomologeerd door de bevoegde overheid
  • een affidavit
  • een nationale identiteitskaart die de afstammingsband vermeldt
  • een huwelijkscontract waarin de afstammingsband vermeld wordt
  • uittreksels van de geboorteregisters
  • een vervangend vonnis

De omstandigheid dat je geen officiële bewijzen kan voorleggen moet ontstaan zijn onafhankelijk van je wil. Volgens de omzendbrief is dat zo in de volgende gevallen:

  • België erkent het betrokken land niet.
  • Je persoonlijke situatie is moeilijk verzoenbaar met een terugkeer naar de betrokken staat of met een contact met zijn overheden.

Soms maakt de interne situatie van het betrokken land het niet mogelijk om een officiële akte voor te leggen, doordat:

  • de documenten vernietigd werden en er geen enkel ander middel bestaat om ze te vervangen.
  • de bevoegde nationale overheden niet naar behoren functioneren.
  • de bevoegde nationale overheden niet meer bestaan.

Kan je wel een buitenlandse geboorte- of adoptieakte (en eventueel erkenningsakte) voorleggen? Dan moet België die akte (willen) erkennen. In principe gebeurt dat de plano door de Belgische overheid aan wie de akte voorgelegd wordt (bv. DVZ of de gemeente). 'De plano' wil zeggen: elke overheid kan autonoom over de erkenning oordelen zonder dat er eerst een procedure voor de rechter gevoerd moet worden. Behalve in het geval van een buitenlandse adoptieakte: daar gebeurt de erkenning uitsluitend door de Federale Centrale Autoriteit. Tot slot wordt bij de erkenning van buitenlandse afstammingsbanden soms een onderzoek gevoerd naar frauduleuze intenties van de betrokkenen.

Wil je een familiesituatie die je in het buitenland geregeld hebt in België laten erkennen?

Minderjarige (plus) kinderen hebben recht op gezinshereniging met tijdelijk beschermden. Dit is in principe het geval in zoverre de gezinsband reeds bestond voorafgaand aan de aankomst van de tijdelijk beschermde in België. Op instructie van de Minister is dit recht uitgebreid naar kinderen van tijdelijk beschermden, geboren na aankomst van de tijdelijk beschermde in België

Het recht op gezinshereniging op grond van art. 10bis, §2/1 Vw voor deze kinderen blijft bestaan ook al zijn zij geboren in het buitenland.

Indien het kind in België geboren wordt na toekenning van de tijdelijke bescherming aan de ouders kan de gemeente toepassing maken van de procedure op basis van de instructie van augustus 2017 die administratieve vereenvoudiging voorzag. Er wordt geen bewijs gevraagd dat voldaan wordt aan materiële voorwaarden. In een dergelijk geval wordt een A-kaart afgegeven als aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldaan wordt:

  1. Ouder in legaal verblijf als tijdelijk beschermde; 
  2. Afstammingsband is juridisch vastgesteld op moment van de geboorte; 
  3. Belgische geboorteakte.

Je moet minderjarig zijn.

De minderjarigheid wordt beoordeeld op de datum van je aanvraag gezinshereniging,

Als je jonger bent dan 18 jaar op het moment van de aanvraag gezinshereniging moet je ouder het ouderlijk gezag, inclusief het recht van bewaring, over je uitoefenen. In de meeste gevallen behoort dit toe aan de (beide) ouders.

Het ouderlijk gezag wordt verondersteld als de betrokken ouder een rechtsgeldige geboorteakte overlegt waarin zijn of haar naam als ouder van het kind wordt vermeld. Als een dergelijke geboorteakte echter niet kan worden overgelegd of als de geldigheid ervan wordt betwist, is het aan de verzoeker om de uitoefening van het ouderlijk gezag met alle wettelijke middelen te bewijzen, in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving inzake ouderlijk gezag.

Bij een gedeeld ouderlijk gezag moet de andere ouder zijn toestemming geven dat het kind in België komt wonen bij de ene ouder. Dat kan met een gewone schriftelijke verklaring. Als de andere ouder verdwenen is (bij gedeeld ouderlijk gezag) moet je een officieel document hebben van de instanties van het land van herkomst waarin dat bevestigd wordt. Of je bewijst de afwezigheid met een rechterlijke beslissing.

Heeft je ouder hier het exclusieve ouderlijke gezag? Dan moet hij dat bewijzen overeenkomstig het recht van de gewone verblijfplaats van de minderjarige, meestal aan de hand van een rechterlijke beslissing. 

Je moet ongehuwd zijn. Je bewijst dat met een attest van ongehuwdheid. Of eventueel met een echtscheidingsvonnis of overlijdensakte. Je moet dit bewijs alleen leveren als je volgens het recht van je land van herkomst de leeftijd bereikt hebt waarop je kan huwen.

Heb je een buitenlands attest of buitenlandse akte? Dan moet je die eventueel laten legaliseren of voorzien van een apostille. Ga dit na op de website van de FOD Buitenlandse zaken. Als de akte in een andere taal opgesteld is dan het Nederlands, Frans, Duits of Engels, moet een beëdigd vertaler de akte vertalen. De Belgische ambassade werkt samen met een aantal beëdigde vertalers. Contacteer de ambassade om te weten op welke vertalers je een beroep kan doen. 

Ben je een kind uit een vorig huwelijk of relatie van de ouder die zich laat vervoegen of van zijn echtgenoot of partner? Dan moet je volgens de Verblijfswet 'ten laste' zijn van je ouder. In de praktijk zou DVZ dit bewijs niet vragen en gaat het er vanuit dat ongehuwde minderjarige kinderen sowieso ten laste zijn van hun ouders.

Er is een wachttermijn van 2 jaar, tenzij enkel minderjarige (plus)kinderen en/of meerderjarige (plus)kinderen met een handicap gezinshereniging vragen.

Geldt voor jou een wachttermijn van 2 jaar, dan kan je pas gezinshereniging aanvragen wanneer je (plus)ouder al 2 jaar lang verblijf heeft in België.

De termijn van 2 jaar begint te lopen vanaf de afgifte van het attest van tijdelijke bescherming. 

Om aan te tonen dat je aan deze voorwaarde voldoet, leg je best een kopie voor van het attest van tijdelijke bescherming. 

Je moet bewijzen dat je (plus)ouder stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen heeft om zichzelf en zijn gezin te onderhouden en niet ten laste te vallen van de sociale bijstand. De Verblijfswet heeft hiervoor een referentiebedrag vastgesteld. Het bedrag is gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen. Deze voorwaarde speelt niet indien enkel de minderjarige (plus)kinderen en/of meerderjarige (plus)kinderen met een handicap gezinshereniging vragen.

REFERENTIEBEDRAG

Het referentiebedrag wordt gebaseerd op het gemiddeld gewaarborgde minimum maandinkomen (GGMMI) . Je zal netto over 110% van het GGMMI moeten beschikken als 1 gezinslid een aanvraag tot gezinshereniging doet. Momenteel is dit

2.408,79 euro netto/maand

 

Dit basisbedrag wordt verhoogd met 10% per gezinslid ten laste, in België en in het buitenland. DVZ beschouwt de 110% van het GGMMI als het basisbedrag. 

Om dit te beoordelen zal DVZ in elk dossier onderzoeken welke gezinsleden als ten laste beschouwd moeten worden. DVZ zal het rijksregister of andere databanken consulteren.

  • De gezinsleden die vanuit het buitenland komen worden steeds beschouwd als ten laste door DVZ, zij beschouwen dit als een onweerlegbaar vermoeden, ongeacht de bestaansmiddelen die deze personen zouden voorleggen indien zij nog steeds een inkomen zouden hebben nadat zij zich in België zouden vestigen.
  • Minderjarige inwonende kinderen worden ook steeds als ten laste beschouwd, al kan bij co-ouderschap rekening gehouden worden met de concrete situatie (DVZ zal hiermee rekening houden bij de uitvoering van de behoefteanalyse).
  • Meerderjarige inwonende personen:
    • Bij inwonende volwassenendie verwant zijn aan de referentiepersoon wordt nagegaan of zij voorzien in hun eigen onderhoud, ongeacht of zij afhankelijk zijn van de sociale bijstandsstelsels. Dit is het geval ongeacht  de graad van verwantschap. Er is geen specifiek bedrag dat zij moeten verdienen om niet als ten laste beschouwd te worden, dit zal in concreto beoordeeld worden. 
    • Inwonende volwassenen die niet verwant zijn aan de referentiepersoon worden niet beschouwd als ten laste. DVZ raadt aan dat je hen informeert indien een inwonende volwassene niet verwant is.

Voorbeeld: de referentiepersoon verblijft alleen in België en zijn partner en twee minderjarige kinderen doen een aanvraag gezinshereniging. Het referentiebedrag is 110% (vb. als enkel partner vraagt om gezinshereniging) + 20% van 110% van het GGMMI(10% per kind dat vraagt om gezinshereniging te genieten).

De uitzondering op de bestaansmiddelenvereiste blijft behouden bij begunstigden van internationale bescherming, staatlozen en tijdelijk beschermden (in zoverre er een bestaansmiddelenvereiste van toepassing is voor deze personen) wanneer enkel minderjarige of meerderjarige kinderenmet een handicap de referentiepersoon vervoegen.

BEHOEFTEANALYSE

Als je het referentiebedrag niet kan aantonen, kan je een behoefteanalyse vragen. De bewijslast voor de behoefteanalyse ligt echter volledig bij de aanvrager . De overheid (DVZ) heeft niet meer de plicht om stukken op te vragen. De aanvrager moet bij de aanvraag op eigen initiatief stukken voorleggen die aantonen dat het gezin genoeg bestaansmiddelen heeft om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Je kan dat als aanvrager doen met alle bewijsmiddelen, documenten en inlichtingen. 

Zo kan je in het kader van de behoefteanalyse het (gemiddeld) maandelijks inkomen voorleggen van de referentiepersoon. Daarnaast leg je bewijzen voor van de uitgaven van de referentiepersoon, met bewijsstukken zoals facturen van allerhande betalingen zoals verzekeringen (brandverzekering, autoverzekering, hospitalisatieverzekering etc.), huurlasten of hypotheekaflossingen, facturen voor water, gas en elektriciteit, internet- en GSM-facturen, belastingen, mobiliteit (openbaar vervoer, auto),  uitgaven aan dagelijkse kosten zoals supermarkten, bijvoorbeeld op basis van rekeninguittreksels, vrije tijdsuitgaven, kledij, vakantie etc.

DVZ neemt in het kader van de behoefteanalyse ook bewijsstukken mee zoals een simulatie, gemaakt door de werkgever, van de toekomstige wedde van de referentiepersoon. Als de referentiepersoon (een) pers(o)on(en) ten laste zal hebben bij goedkeuring van de aanvraag gezinshereniging, zal diens nettoloon immers hoger zijn dan op het ogenblik dat deze gezinsleden nog niet ten laste vallen van de referentiepersoon. Een dergelijke simulatie kan dan ook helpen om aan te tonen dat men kan voorkomen dat het gezin in de toekomst ten laste zal vallen van de sociale bijstandsstelsels.

DVZ zal, indien er minderjarige kinderen zijn waarbij er een regeling is inzake co-ouderschap, in het kader van de behoefteanalyse rekening houden met deze regeling. Indien de betrokken kinderen bijvoorbeeld 50% van de tijd bij een andere ouder verblijven, zal DVZ hiermee rekening houden bij de beoordeling van de behoeften van het gezin, nu deze kinderen slechts deels ten laste zijn van de referentiepersoon.

 

 

Belgische Verblijfswet en praktijk DVZ

De volgende inkomsten zijn volgens de Verblijfswet uitgesloten en tellen niet mee voor de berekening van de bestaansmiddelen:

  • leefloon
  • maatschappelijke dienstverlening
  • gezinsbijslag
  • wachtuitkering
  • overbruggingsuitkering
  • werkloosheidsuitkering, tenzij de gezinshereniger bewijst dat hij of zij actief werk zoekt. De gezinshereniger moet niet bewijzen dat hij actief op zoek is naar werk als hij vrijgesteld is van de verplichting om beschikbaar te zijn op de arbeidsmarkt, conform artikel 89 en 98bis van het koninklijk besluit werkloosheidsreglementering van 25 november 1991. Dit volgt uit rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.  

Het moet gaan om stabiele en regelmatige bestaansmiddelen. Om die reden weigert DVZ vaak inkomsten uit:

  • interimarbeid (tenzij bij een ononderbroken tewerkstelling van minstens één jaar of na een periode van werkloosheid)
  • tijdelijke arbeidsovereenkomsten
  • een 'artikel 60 tewerkstelling'

DVZ vraagt dat je bij voorkeur bewijzen overmaakt van bestaansmiddelen van de laatste 12 maanden.

Je kan toereikende en stabiele bestaansmiddelen o.m. bewijzen met:

  • loonfiches
  • maaltijdcheques
  • netto huurinkomsten. Hoe dit precies berekend wordt vind je op de website van DVZ.
  • het meest recente aanslagbiljet in de personenbelasting
  • een arbeidscontract
  • rekeninguittreksels
  • pensioenfiches
  • bewijzen van het actief zoeken naar werk, in combinatie met het bewijs van de werkloosheidsuitkering
  • inkomsten uit een zelfstandige activiteit moeten met specifieke documenten bewezen worden. Je vindt een gedetailleerd overzicht van de vereiste bewijzen op de website van DVZ.

DVZ houdt alleen rekening met de eigen bestaansmiddelen van de gezinshereniger in België die je komt vervoegen en dus niet met jouw inkomsten of eventuele inkomsten van derden. Deze praktijk staat op gespannen voet met rechtspraak van het Hof van Justitie. Uit een arrest van de Raad van State volgt dat DVZ ook rekening moet houden met inkomsten die de gezinshereniger ontvangt van een gezinslid, bv. via een doorlopende opdracht. 

Voor meer info over de bestaansmiddelenvoorwaarde bij gezinshereniging, lees ons rechtspraakoverzicht.

Je moet beschikken over: 

  • ‘behoorlijke huisvesting die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en
  • dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne’ 

Deze voorwaarde vereist een KB, in ministerraad overlegd. Op dit moment is dit besluit er nog niet. Dit KB zal moeten concretiseren

  • waaraan de huisvesting juist moet voldoen en
  • op welke manier dit moet bewezen worden. 

Bij gebrek aan een nieuw KB dat de aangescherpte wettelijke huisvestingsvoorwaarde uitvoert, blijf het huidige artikel 26.3 Verblijfsbesluit dus van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een voldoende huisvesting in de zin van de artikelen 10 en 10bis Vw moet voldoen 'aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid in de zin van artikel 2 van de wet van 20 februari 1991 houdende wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur'

  • een kopie van het geregistreerd huurcontract van de woning waar de gezinshereniger zijn hoofdverblijfplaats (domicilie) heeft:
    • Een huurcontract moet geregistreerd zijn op het registratiekantoor. De registratie is een verplichting van de verhuurder. Maar ook de huurder kan het zelf laten registreren. Lees hier meer over de registratieprocedure.
    • Let op! Het attest van MyRent (= bewijs registratie) is niet voldoende. De aanvrager moet zowel het huurcontract, als het bewijs van registratie voorleggen.
  • een kopie van de notariële eigendomsakte van de woning waar de gezinshereniger zijn hoofdverblijfplaats (domicilie) heeft:
    • De eigendomsakte moet een notariële akte zijn. Een onderhandse verkoopakte (bijvoorbeeld een compromis) wordt niet aanvaard.
    • In de praktijk aanvaardt DVZ ook een bankattest met betrekking tot het hypothecair krediet als bewijs van huisvesting, op voorwaarde dat de naam van de gezinshereniger en het adres van het goed vermeld op het attest overeenkomt met het domicilieadres van de gezinshereniger in het rijksregister.
    • In de praktijk aanvaardt DVZ ook een attest met betrekking tot de betaling van de onroerende voorheffing (kadastraal inkomen), op voorwaarde dat het adres van het goed vermeld op het attest overeenkomt met het domicilieadres van de gezinshereniger in het rijksregister.

Als de woning onbewoonbaar verklaard is, weigert DVZ je aanvraag. 

Zorg ervoor dat je bewijzen actueel zijn. 

Leg de bewijzen van huisvesting voor van het adres waar je gezinshereniger effectief woont op het moment van de aanvraag gezinshereniging. Het heeft geen zin om een huurcontract of eigendomsakte af te geven van een woning waar je gezin pas later zal intrekken (bijv. na de gezinshereniging). Zelfs al is die woning ruimer en beter geschikt. Op de wachtlijst staan voor een sociale woning, voldoet niet als bewijs. Wanneer de gezinshereniger reeds in een (te kleine) sociale woning woont, kan hij wel een attest bekomen van de sociale huisvestingsmaatschappij waarin staat dat het gezin, na aankomst van de familieleden in België, prioritair een aangepaste (lees: grotere) sociale woning kunnen krijgen. De huurder dient de huisvestingsmaatschappij uiteraard wel te informeren over de lopende aanvraag gezinshereniging of de intentie om een aanvraag gezinshereniging in te dienen. Dit attest van de sociale huisvestingsmaatschappij wordt door DVZ wel aanvaard.

In de praktijk eist DVZ niet dat de gezinshereniger zelf als huurder vermeld staat in het geregistreerd huurcontract of als eigenaar in de notariële verkoopakte. Het volstaat dat hij op dat adres woont en dat dit blijkt uit het rijksregister. De persoon die als huurder vermeld staat in de huurovereenkomst of als eigenaar in de notariële eigendomsakte moet wel een familielid zijn van de persoon die je in België komt vervoegen.

DVZ, niet de gemeente, oordeelt of er voldoende huisvesting is. De gemeente gaat alleen na of je de vereiste documenten overmaakte (als je de aanvraag gezinshereniging in België indient).

Zowel jij als de referentiepersoon moeten een ziekteverzekering hebben die jullie verzekert voor ziektekosten in België.

Bij een aanvraag in België kan je dat bewijs leveren met:

  • het bewijs van aansluiting bij een Belgisch ziekenfonds van jezelf en de persoon die je vervoegt.
  • een privéziekteverzekering. De privéziekteverzekering dekt de risico’s in België gedurende minstens 3 maanden, voor een bedrag van 30.000 euro. Je moet ook bewijzen dat de persoon die je komt vervoegen aangesloten is bij een Belgisch ziekenfonds.
  • een buitenlandse ziekteverzekering. De buitenlandse ziekteverzekering moet de risico’s in België dekken. DVZ vermeldt de buitenlandse ziekteverzekering niet op zijn website als mogelijk bewijs, maar de Verblijfswet sluit dat niet uit. Je moet ook bewijzen dat de persoon die je komt vervoegen aangesloten is bij een Belgisch ziekenfonds.

Bij een aanvraag in het buitenland kan je het bewijs leveren met:

  • een modelattest van het Belgisch ziekenfonds van de persoon die je komt vervoegen. Het modelattest bevestigt dat jij je in België kan aansluiten bij het ziekenfonds vanaf je aankomt in België. Dit is alleen mogelijk voor de echtgenoot ten laste en kinderen jonger dan 25 jaar van de verzekerde persoon die vervoegd wordt.
  • een privéziekteverzekering. De privéziekteverzekering dekt de risico’s in België gedurende minstens 3 maanden, voor een bedrag van 30.000 euro. Je moet ook bewijzen dat de persoon die je komt vervoegen aangesloten is bij een Belgisch ziekenfonds.
  • een buitenlandse ziekteverzekering. De buitenlandse ziekteverzekering moet de risico’s in België dekken. De DVZ vermeldt de buitenlandse ziekteverzekering niet op zijn website als mogelijk bewijs, maar de Verblijfswet sluit dat niet uit. Je moet ook bewijzen dat de persoon die je komt vervoegen aangesloten is bij een Belgisch ziekenfonds.

Je mag geen gevaar vormen voor de volksgezondheid. Om die reden mag je niet lijden aan één van de ziekten opgesomd in de bijlage bij de Verblijfswet.  Je bewijst dat met een medisch attest dat bevestigt dat je niet lijdt aan een ziekte die een gevaar vormt voor de Belgische volksgezondheid. Het mag niet ouder zijn dan 6 maanden. Het attest kan opgesteld worden door een arts die erkend is door de Belgische ambassade. Contacteer de ambassade om te weten op welke arts je een beroep kan doen. Als je voor een niet-erkende geneesheer kiest moet je zijn handtekening laten legaliseren door de bevoegde plaatselijke overheid. Nadien moet je de handtekening van deze overheid laten legaliseren door de Belgische diplomatieke post. Ben je al in België? Dan kan je een medisch attest laten opmaken door een arts naar keuze in België.

Als minderjarig (plus)kind moet je geen uittreksel uit het strafregister voorleggen.

Je moet komen samenleven met de tijdelijk beschermde.

Meer info