Voorwaarden gezinshereniging ouder minderjarige Belg
Voorwaarden en documenten
Je moet 218 euro betalen als bijdrage in de administratieve kosten voor de behandeling van je aanvraag. Tenzij je vrijgesteld bent. Lees meer over vrijstellingen en procedure retributie.
Jijzelf, of een derde persoon, schrijft dit bedrag over op bankrekening BE57 6792 0060 9235 van de Dienst Vreemdelingenzaken.
In de mededeling vermeld je je naam, voornaam, geboortedatum en nationaliteit. Voor de mededeling moet je volgende structuur gebruiken: NaamVoornaamNationaliteitDDMMJJJJ.
Je bewijst dat je de retributie betaald hebt met een bewijs van betaling, zoals een rekeninguittreksel of een stortingsbewijs met stempel van de post.
Als ouder van een minderjarig Belgisch kind moet je je identiteit volgens de Vreemdelingenwet bewijzen met een 'geldig' identiteitsdocument. Dit kan één van volgende documenten zijn:
- een geldig paspoort (al dan niet afgeleverd door het herkomstland),
- een geldige nationale identiteitskaart, of
- een ander geldig identiteitsbewijs (= betrouwbaar document met foto dat de identiteit van de persoon vaststelt)
Opgelet! Op 21 november 2024 oordeelde het Grondwettelijke Hof dat deze voorwaarde de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet schendt in zoverre het geen alternatieve bewijsmogelijkheden toestaat. Bijgevolg kan je als ouder van een Belgisch minderjarig kind je identiteit ook op andere manieren bewijzen, bv. met een verstreken paspoort of nationale identiteitskaart.
Je bent de vader of moeder van een Belgisch minderjarig kind.
Je bewijst dat met een geboorteakte of een adoptieakte (en eventueel een erkenningsakte).
Heb je geen Belgische maar een buitenlandse akte? Dan moet je die eventueel laten legaliseren of voorzien van een apostille. Ga dit na op de website van de FOD Buitenlandse zaken. Als de akte in een andere taal opgesteld is dan het Nederlands, Frans, Duits of Engels, moet een beëdigd vertaler de akte vertalen. De Belgische ambassade werkt samen met een aantal beëdigde vertalers. Contacteer de ambassade om te weten op welke vertalers je een beroep kan doen.
Let op! Je buitenlandse akte moet ook worden voorgelegd aan de Belgische gemeente waar je Belgisch kind woont. Dat kan alleen als de akte vertaald is in de taal van die gemeente (zoals bepaald door de Belgische taalwetgeving). Voorbeeld: een Nigeriaanse akte opgesteld in het Engels kan je gebruiken om een visum gezinshereniging aan te vragen. Maar om de akte te laten registreren in Antwerpen, moet de akte vertaald worden naar het Nederlands.
Als je geen officiële akte kan voorleggen, kan DVZ rekening houden met ‘andere geldige bewijzen’.
Voorbeelden van andere geldige bewijzen zijn:
- een geboortecertificaat of geboorteattest
- een huwelijksakte, opgesteld door de Belgische ambtenaar voor de burgerlijke stand, waarin de afstammingsband vermeld wordt
- een notariële akte, gehomologeerd door de bevoegde overheid
- een affidavit
- een nationale identiteitskaart die de afstammingsband vermeldt
- een huwelijkscontract waarin de afstammingsband vermeld wordt
- uittreksels van de geboorteregisters
- een vervangend vonnis
De omstandigheid dat je geen officiële documenten kan voorleggen moet ontstaan zijn onafhankelijk van je wil. Dat is zo in de volgende gevallen:
- België erkent het betrokken land niet.
- Je persoonlijke situatie is moeilijk verzoenbaar met een terugkeer naar de betrokken staat of met een contact met zijn overheden.
Soms maakt de interne situatie van het betrokken land het niet mogelijk om een officiële akte voor te leggen, doordat:
- de documenten vernietigd werden en er geen enkel ander middel bestaat om ze te vervangen.
- de bevoegde nationale overheden niet naar behoren functioneren.
- de bevoegde nationale overheden niet meer bestaan.
Als je ook geen ‘andere geldige bewijzen’ kan voorleggen, kan DVZ of de Belgische ambassade je uitnodigen voor een gesprek en kan DVZ overgaan tot elk ander onderzoek dat het nodig vindt. In laatste instantie kan DVZ voorstellen om een DNA-analyse te laten uitvoeren.
Kan je wel een buitenlandse geboorte- of adoptieakte (en eventueel erkenningsakte) voorleggen? Dan moet België die akte (willen) erkennen. In principe gebeurt dat de plano door de Belgische overheid aan wie de akte voorgelegd wordt (bv. DVZ of de gemeente). 'De plano' wil zeggen: elke overheid kan autonoom over de erkenning oordelen zonder dat er eerst een procedure voor de rechter gevoerd moet worden. Behalve in het geval van een buitenlandse adoptieakte: daar gebeurt de erkenning uitsluitend door de Federale Centrale Autoriteit. Tot slot wordt bij de erkenning van buitenlandse afstammingsbanden soms een onderzoek gevoerd naar frauduleuze intenties van de betrokkenen.
> Wil je een familiesituatie die je in het buitenland geregeld hebt in België laten erkennen?
> Lees meer over de erkenning van een buitenlandse afstamming.
> Lees meer over de erkenning van een buitenlandse adoptie.
Je moet het ouderlijk gezag, inclusief het recht van bewaring, uitoefenen over je minderjarig Belgisch kind.
Uit de voorbereidende werken bij de Verblijfswet blijkt dat de wetgever hiermee wil voorkomen dat een ouder, die deels of volledig ontzet werd uit het ouderlijke gezag of die, ten gevolge van een gerechtelijke veroordeling, slechts een beperkt omgangsrecht heeft met zijn minderjarig Belgisch kind, toch nog een verblijfsrecht zou kunnen bekomen op basis van gezinshereniging met zijn kind.
Het is onduidelijk hoe deze voorwaarde in de praktijk bewezen moet worden, aangezien het gaat om een negatief bewijs.
Je moet als ouder daadwerkelijk zorgen voor je Belgisch minderjarig kind. Volgens de wetgever heb je als ouder bijvoorbeeld géén recht op gezinshereniging met je Belgisch kind, wanneer de daadwerkelijke zorg voor het kind exclusief gedragen wordt door de andere (Belgische) ouder. Dat klopt niet: volgens het Hof van Justitie is het feit dat de EU-ouder alléén de daadwerkelijke zorg draagt voor het kind, een relevant gegeven maar sluit het niet uit dat er een dermate afhankelijkheid bestaat tussen de (derdelands) ouder en het minderjarig kind, dat die derdelands ouder een afgeleid verblijfsrecht heeft op basis van artikel 20 VWEU.
Het verblijfsrecht van de ouder van een minderjarig Belgisch kind vloeit voort uit het Unierecht. Volgens het Hof van Justitie heeft de ouder een verblijfsrecht wanneer het kind dermate afhankelijk is van zijn ouder dat de weigering van een verblijfsrecht (aan de ouder) ertoe zou leiden dat het Belgisch kind het hele grondgebied van de Unie zou moeten verlaten. Dat zou immers afbreuk doen aan het nuttig effect van zijn Unieburgerschap. Bijgevolg levert alleen het bestaan van een (eventuele) afhankelijkheid een grond op voor een afgeleid verblijfsrecht voor de ouder.
De Verblijfswet vermeldt de afhankelijkheid onterecht niet als een verblijfsvoorwaarde. Wel is het een element waarmee DVZ rekening moet houden alvorens het verblijf te kunnen weigeren, wanneer de ouder niet aantoont dat hij daadwerkelijk zorgt voor zijn Belgisch kind.
De Verblijfswet staat daarom op gespannen voet met het Unierecht. De drie voorwaarden in de Verblijfswet (ouderlijk gezag - daadwerkelijke zorg - gezinscel) zijn slechts elementen die DVZ in rekening kan nemen bij de beoordeling van de afhankelijkheid. Maar het niet voldoen aan één of meerdere van deze voorwaarden, of het niet voldoen aan de voorwaarde van een geldig identiteitsdocument, is niet doorslaggevend. Zoals overvloedig blijkt uit de rechtspraak van het HvJ moeten lidstaten bij de beoordeling van de afhankelijkheid immers rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder o.m.:
- de leeftijd van het kind;
- de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van het kind;
- de mate waarin het kind een affectieve relatie heeft met elk van zijn ouders;
- het eventuele risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het wordt gescheiden van de ouder die onderdaan is van een derde land;
- wie het gezag heeft over het kind;
- wie de wettelijke, financiële of affectieve last draagt van het kind;
- wie daadwerkelijk zorg draagt voor het kind;
- Het feit dat de Belgische ouder in staat is om de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind alleen te dragen en daartoe ook bereid is, vormt een gegeven dat relevant is, maar op zichzelf niet volstaat om te kunnen vaststellen dat er tussen de derdelands ouder en het Belgisch kind geen sprake is van een afhankelijkheidsverhouding die voor deze ouder een verblijfsrecht oplevert.
- samenwoonst met het kind is een van de relevante factoren om het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding te bepalen, maar is geen absolute vereiste;
- Wanneer de minderjarige Unieburger duurzaam samenwoont met beide ouders geldt er volgens het HvJ een weerlegbaar vermoeden van een afhankelijkheidsverhouding. Bij samenwoonst zouden er dus géén extra voorwaarden voor gezinshereniging mogen opgelegd worden.
Bij de beoordeling van de afhankelijkheid moeten lidstaten rekening houden met het recht op een gezinsleven, het hoger belang van het kind en zijn recht om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten te onderhouden met zijn beide ouders.
Je moet je Belgisch minderjarig kind begeleiden of je bij hem voegen.
Als je samenwoont met je Belgisch minderjarig kind moet je geen bijkomende bewijzen voorleggen. De gezinscel blijkt dan uit de samenwoonst. Woon je niet samen met je Belgisch minderjarig kind? Dan bewijs je de gezinscel door het aantonen van affectieve en/of financiële banden. Bijvoorbeeld door te bewijzen dat je een goed en regelmatig contact hebt met je kind. Of dat je je kind mee financieel onderhoudt.
Meer info
Wetgeving