Eerste asielverzoek in België na definitieve beslissing in andere EU-lidstaat wordt ‘volgend verzoek’

Schorsing door Grondwettelijk Hof

Opgelet: dit nieuwsbericht is gedeeltelijk verouderd. In zijn arrest nr. 23/2026 van 26-2-2026 schorst het Grondwettelijk Hof de bepalingen die een verzoek ingediend door verzoekers met internationale bescherming in een ander EU-land (M-statushouders) kwalificeren als ‘volgend verzoek’ en die een beperking van de opvang op deze grond mogelijk maakten. Het Hof stelt hierover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. Lees hierover ons bericht 'GwH schorst mogelijkheid tot beperking opvang voor M-status en schrapping opheffing/niet-toewijzing code 207'.

In het kort

Verzoeken om internationale bescherming (VIB) ingediend vanaf 2-8-2025 door verzoekers die eerder in een andere EU-lidstaat een definitieve beslissing ontvingen zullen als 'volgend verzoek' behandeld worden. Dit heeft voornamelijk een impact op het verloop van de procedure en op de toegang tot het opvangnetwerk.

Volgend verzoek na definitieve beslissing in andere lidstaat

De concrete gevolgen zijn afhankelijk van welke beslissing de persoon kreeg over diens verzoek in de andere EU-lidstaat:

Eerdere definitieve negatieve beslissing in ander EU-land: 

Vanaf 2 augustus 2025 zal bij een verzoek om internationale bescherming in België een verzoeker met een definitieve negatieve beslissing in een ander EU-land nieuwe elementen moeten voorleggen die de kans op een positieve beslissing aanzienlijk verhogen. Het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) zal deze nieuwe elementen conform artikel 57/6/2 Verblijfswet (Vw) onderzoeken in een ontvankelijkheidsfase 

Volgens de wetgever zal het CGVS deze nieuwe elementen beoordelen op basis van de info die de andere lidstaat doorgeeft. Als het CGVS deze info niet verkrijgt, kan het CGVS volgens de Memorie van Toelichting geen niet-ontvankelijkheidsbeslissing nemen, tenzij de nieuwe elementen duidelijk niet in aanmerking komen voor internationale bescherming omdat het bijvoorbeeld om louter economische motieven gaat.

Tijdens de ontvankelijkheidsfase kan Fedasil conform artikel 4, §1, 3° Opvangwet de materiële hulp beperken tot medische begeleiding (= zonder opvangplaats), tot wanneer de verzoeker een (positieve) ontvankelijkheidsbeslissing krijgt. Zodra het CGVS het verzoek ontvankelijk verklaart, heeft de betrokkene recht op een opvangplaats.

Eerdere definitieve positieve beslissing in andere EU-lidstaat (‘M-status’)

Een verzoeker die al internationale bescherming heeft in een ander EU-land (M-statushouder) moet in België aantonen dat de bescherming in de andere lidstaat niet langer effectief is. Het CGVS zal dit onderzoek voeren in een ontvankelijkheidsfase, en kan een niet-ontvankelijkheidsbeslissing nemen op basis van artikel 57/6, §3, 3° Verblijfswet. Die mogelijkheid bestaat al in onze Verblijfswet sinds 2018, maar tot augustus 2025 volgde er na dit onderzoek geen aparte positieve ontvankelijkheidsbeslissing. Als het CGVS van mening is dat de bescherming in de andere lidstaat niet langer effectief is, zette CGVS het onderzoek ten gronde verder, zonder een beslissing te nemen in de ontvankelijkheidfase. De memorie van toelichting bij de wijziging van Opvangwet vermeldt nog die werkwijze. Die aparte werkwijze lijkt echter niet meer gegrond in de gewijzigde Verblijfswet: sinds 2-8-2025 definieert het nieuwe artikel 50, §5 Verblijfswet zo'n verzoek in België na M-status als een volgend verzoek, en volgens de algemene regels van de Verblijfswet op het volgend verzoek zou het CGVS voortaan ook in dit geval altijd over de ontvankelijkheid moet beslissen, hetzij negatief hetzij positief. Dit heeft concrete gevolgen op de rechtspositie van de betrokkenen (zie verder). We volgen op hoe deze bepalingen in de praktijk zullen toegepast worden, en zullen verdere info in dit bericht verwerken.

Net zoals in de vorige situatie kan Fedasil de materiële hulp beperken tot medische begeleiding (= zonder opvangplaats), maar nu op basis van het nieuwe 5° van artikel 4, §1 Opvangwet en zonder beperking tot de ontvankelijkheidsfase. Fedasil kan dus beslissen dat verzoekers met een M-status geen opvangplaats zullen krijgen gedurende de hele asielprocedure.

Rechtspraak van het Hof van Justitie die we eerder bespraken in ons artikel ‘HvJ: asielaanvraag in tweede lidstaat na definitieve negatieve beslissing in eerste lidstaat, is volgend verzoek’, stelt dat een eerste verzoek als een volgend verzoek beschouwd kan worden, als de betrokkene al een definitieve negatieve beslissing ontving in een andere lidstaat. Het Hof ging echter niet in op de situatie van verzoekers die al een definitieve positieve beslissing ontvingen in een andere lidstaat. Het is in de huidige stand van het Europees recht niet duidelijk of het lidstaten toegestaan is om verzoeken van M-statushouders als volgend verzoek te behandelen.

Verdere onduidelijkheden en concrete gevolgen in de praktijk

Het is onduidelijk of verzoekers met een definitieve negatieve beslissing in een andere EU-lidstaat eerst een volwaardige Dublin procedure doorlopen, en welke soort bijlage ze in de praktijk zullen krijgen op het moment van de registratie van hun verzoek (hetzij een bijlage 25 of 26, hetzij een bijlage 25quinquies of 26quinquies). De DVZ weet op het moment van registratie namelijk nog niet of iemand al een definitieve negatieve beslissing kreeg in een andere EU-lidstaat. De Eurodac-hit laat enkel zien dat iemand al een verzoek in een andere EU-lidstaat indiende, zonder info over een eventuele definitieve negatieve beslissing. Dit betekent dat de DVZ hierna een verzoek tot informatie moet richten aan die andere lidstaat. Artikel 34 van de Dublin-III Verordening bepaalt de regels voor informatieoverdracht tussen lidstaten. Het vijfde lid stelt dat lidstaten vijf weken de tijd hebben om te antwoorden op een verzoek om informatie. Aangezien de DVZ niet onmiddellijk op de hoogte is van de eerdere negatieve beslissing in een andere EU-lidstaat, kunnen zij de aanvragen van deze verzoekers niet meteen registreren als een volgend verzoek. Dit heeft als gevolg dat Fedasil hen opvang moet verlenen tot het moment van effectieve overdracht, of tot het moment waarop hun verzoek in België wordt geregistreerd als een ‘volgend’ verzoek. Vanaf dan kan Fedasil de opvang beperken of intrekken op basis van artikel 4, §1, 3° Opvangwet.

De DVZ kan op basis van de Eurodac-hit in theorie onmiddellijk vaststellen dat een verzoeker een M-status heeft. Als dit het geval is, krijgt de verzoeker vanaf het begin van de procedure een bijlage 26quinquies krijgen. Uit de praktijk blijkt echter dat de M-status niet in elk geval onmiddellijk kan worden vastgesteld. Personen bij wie dit op het moment van registratie niet blijkt, krijgen een bijlage 26. Als men later wél nog bevestiging krijgt dat het om M-statushouder gaat, behoudt de persoon de bijlage 26.

Volgens de algemene regels op het volgend verzoek zou het CGVS hetzij een negatieve hetzij een positieve beslissing over de ontvankelijkheid moeten nemen, maar dat moet nog bevestigd worden in de praktijk. Pas na een positieve ontvankelijkheidsbeslissing van het CGVS kunnen de verzoekers een attest van immatriculatie aanvragen bij een gemeente waar zij hun gewoonlijke verblijfplaats hebben, maar zonder opvangplaats en zonder OCMW-steun kan het problematisch zijn om een verblijfplaats te hebben. Het attest van immatriculatie is onder andere nodig om toegang te verkrijgen tot de arbeidsmarkt.

Het is nog onduidelijk hoe het CGVS deze nieuwe bepalingen in de praktijk zal omzetten. Volgens artikel 57/6, §3, derde lid Verblijfswet moet het CGVS binnen vijftien werkdagen na ontvangst van het verzoek om internationale bescherming beslissen over de ontvankelijkheid van een volgend verzoek. In theorie moet het CGVS binnen deze termijn over alle nodige informatie van de andere lidstaat beschikken om een beslissing te nemen. In de praktijk is het onduidelijk op welke manier het CGVS deze informatie zal verkrijgen en hoe het de termijn zal halen. In theorie kan het CGVS gebruik maken van het verzoek tot informatie dat de DVZ ook gebruikt. Aangezien de antwoordtermijn voor dit verzoek vijf weken bedraagt, lijkt dit moeilijk te rijmen met de termijn van vijftien werkdagen in artikel 57/6, §3 derde lid Vw waarover het CGVS beschikt om een ontvankelijkheidbeslissing te nemen.

Het is verder niet helder hoe het CGVS zal omgaan met verzoekers die in een andere EU-lidstaat een technische weigering (om louter formele redenen) kregen. In dit geval lijkt elk aangedragen element als nieuw element beschouwd te moeten worden.

We volgen dit verder op en zullen nog verduidelijkingen verwerken in dit bericht.

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen en Agentschap Integratie en Inburgering