HvJ: niet-verlenging beschermingsstatuut vormt geen afwijzing verzoek artikel 18 Dublinverordening

In het kort

In arrest C‑790/23 van 30-10-2025 oordeelt het Hof van Justitie (HvJ) dat een niet-verlenging van een nationaal beschermingsstatuut, niet kan worden gezien als een ‘afwijzing van een verzoek’ zoals voorzien in artikel 18 d) van de Dublinverordening.

Artikel 18 Dublinverordening niet van toepassing bij niet-verlenging verblijfsvergunning

Het betreft een Syriër die bescherming aanvroeg in Denemarken en daar een nationale vorm van bescherming kreeg, die vergelijkbaar is met subsidiaire bescherming. Hij genoot bescherming van juli 2016 tot november 2020. Daarna besloten de Deens autoriteiten om zijn verblijfstitel niet langer te verlengen. Hierop vroeg persoon in 2021 internationale bescherming aan in Finland. Deze stelde de vraag aan het HvJ of in dergelijke situaties een terugname kan worden gevraagd op basis van artikel 18 Dublinverordening.

Artikel 18, 1 d) van de Dublin verordening bepaalt dat een lidstaat ertoe gehouden is om een onderdaan van een derde land wiens verzoek is afgewezen in die lidstaat en die een verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat, terug te nemen.

Het Hof oordeelde dat het niet-verlengen van een verblijfstitel niet overeenkomt met de afwijzing van van van een verzoek waarnaar wordt gerefereerd in voormeld artikel. De term ‘afwijzing’ is namelijk een autonoom unierechtelijk begrip dat wordt uitgelegd als ‘het optreden waarbij wordt geweigerd een gunstig gevolg te even aan een verzoek’. Een niet-verlenging valt hier niet onder, mede omdat er in eerste instantie een positief gevolg werd gegeven aan het verzoek.

Opmerking: criterium van lidstaat die verblijfsvergunning afleverde?

Het feit dat Denemarken de Kwalificatierichtlijn niet toepast en een enkel door het nationale recht voorziene vorm van bescherming biedt, maakt geen verschil voor de toepassing van artikel 18, lid 1, d. Een verzoek in Denemarken wordt in dit kader gelijkgesteld aan verzoeken om internationale bescherming ingediend in andere lidstaten.

Daarnaast is het belangrijk rekening te houden met het feit dat hoewel artikel 18 van de Dublinverordening niet van toepassing is op een niet-verlenging van verblijf, artikel 12 van de Dublinverordening wél mogelijks van toepassing kan zijn. Artikel 12 voorziet in het criteria dat de lidstaat die een verblijfsvergunning heeft afgegeven verantwoordelijk blijft 6 maanden (bij een kort verblijf) en 2 jaar (bij een lang verblijf) na het vervallen van de verblijfsvergunning.