RvS schorst ministeriële instructie om M-statushouders niet op te vangen

In het kort

Op 27-3-2026 schorste de Raad van State (RvS) in arrest 266.219 de uitvoering van de ministeriële instructie van 2-3-2026. Minister voor asiel en migratie Van Bossuyt gaf hierin aan Fedasil de instructie om de opvang te blijven weigeren aan verzoekers om internationale bescherming in België die al bescherming kregen in een ander EU-land (M-statushouders).

De historiek

  • In november 2024 gaf toenmalig staatssecretaris voor asiel en migratie De Moor de instructie om opvang te weigeren aan alleenstaande mannelijke M-statushouders
  • De Raad van State schorste die instructie in december 2024 en vernietigde ze in 2026. Een dergelijke instructie van de staatssecretaris is verordenend van aard en had daarom moeten voorgelegd worden aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State
  • De wetswijziging van 14 juli 2025 was daarop het antwoord van huidig minister voor asiel en migratie Van Bossuyt. Deze voerde o.a. de mogelijkheid in voor Fedasil om opvang te weigeren aan M-statushouders (niet beperkt tot alleenstaande mannen)
  • Deze wetswijziging werd geschorst door het GwH in zijn arrest nr. 23/2026 van 26 februari 2026
  • Hierop gaf de minister op 2 maart 2026 de instructie aan Fedasil om opvang te blijven weigeren aan M-statushouders
  • Nu schorst de Raad van State ook deze instructie

RvS 27-3-2026, nr. 266.219

In dit arrest nr. 266.219 van 27 maart 2026 stelt de RvS dat de instructie van 2 maart 2026 van de minister aan Fedasil om opvang te weigeren aan M-statushouders verordenend van aard is en de minister de afdeling Wetgeving van de Raad van State had moeten raadplegen alvorens de instructie aan Fedasil te geven. 

De RvS verwijst bovendien naar het gezag van gewijsde van zijn arresten over de soortgelijke instructie uit 2024 van toenmalig staatssecretaris De Moor. Het gezag van gewijsde verbiedt de overheid om de bestreden handeling, zelfs gedeeltelijk, te herhalen zonder de onwettigheid te herstellen die werd vastgesteld in het middel dat tot de vernietiging heeft geleid. Minister Van Bossuyt gebruikt in de bestreden instructie echter dezelfde juridische gronden als staatssecretaris De Moor in 2024 in een instructie die al door de RvS werd geschorst en vernietigd.

De RvS concludeert dat de minister in deze instructie, op het eerste gezicht, net als de vorige van staatssecretaris De Moor een principieel standpunt inneemt wat betreft de opvang van M-statushouders. De instructie steunt niet op een nieuwe juridische redenering van na het arrest van het GwH nr. 23/2026 van 26 februari 2026. Die redenering is immers in de vorige procedure al aan bod gekomen met als verweer dat het louter om een interpretatie van artikel 4 Opvangwet ging. De RvS ging niet mee in die redenering en vernietigde de vorige instructie van 2024.

Gevolgen voor de praktijk?

De minister heeft, in navolging van dit RvS-arrest, de geschorste instructie ingetrokken. Tegelijk geeft zij aan dat Fedasil de opvang aan M-statushouders kan blijven weigeren 'op voorwaarde dat dit individueel en voldoende gemotiveerd gebeurt'. Op het eerste zicht lijkt ook deze werkwijze het arrest nr. 23/2026 van het GwH te miskennen. De minister geeft namelijk aan dat de juridische basis niet geschorst werd door de RvS. Dit lijkt erop te wijzen dat zij op dezelfde juridische grondslag blijft steunen.

Als de juridische grondslag voor de opvangweigering dezelfde blijft als vóór dit RvS-arrest, steunt de minister opnieuw op rechtsgronden die al bestonden vóór de wetswijziging van 14 juli 2025. Als deze basis volstond, was deze wetswijziging overbodig. Deze was echter net een reactie op de schorsing van de instructie van staatssecretaris De Moor, waarbij de RvS oordeelde dat een dergelijke instructie een verordenend karakter heeft en dus een wetswijziging vereist.

Het GwH schorste niet enkel de mogelijkheid tot het weigeren van opvang voor M-statushouders, maar ook de wetswijziging die de kwalificatie van een verzoek ingediend door M-statushouders als 'volgend verzoek' mogelijk maakte. Deze kwalificatie is nodig om zich op artikel 4 van de Opvangwet te kunnen beroepen ondanks de door het GwH geschorste bepalingen. Artikel 4 van de Opvangwet maakt het inderdaad mogelijk voor Fedasil om de materiële hulp te beperken (in de praktijk: de opvang te weigeren) aan wie een volgend verzoek om internationale bescherming doet. Door de schorsing van het GwH kan een verzoek door M-statushouders echter niet meer gekwalificeerd worden als een volgend verzoek en is een beperking van de opvang op die grond dus ook niet mogelijk. De HvJ-rechtspraak in de rechtsgrond waarop de minister zich op haar nieuwe instructie lijkt te blijven baseren om verzoeken door M-statushouders als 'volgend verzoek' te kunnen kwalificeren, is dezelfde als deze die door de ministerraad werd aangevoerd in de schorsingsprocedure voor het GwH. Het GwH heeft deze rechtspraak van het HvJ al geanalyseerd in zijn arrest. Het is precies omwille van deze analyse dat het GwH een prejudiciële vraag stelt aan het HvJ en in afwachting de relevante wetswijzigingen schorst.

Zelfs indien een individueel gemotiveerde opvangweigering in overeenstemming zou zijn met dit RvS-arrest, blijft de schorsing door het GwH van kracht en verhindert deze een opvangweigering op dezelfde rechtsgronden. 

Naast de juridische obstakels, rijst ook de vraag of Fedasil in de praktijk zal voldoen aan de individuele motiveringsplicht in deze dossiers. Fedasil werd in het verleden immers herhaaldelijk veroordeeld omwille van de stereotiepe motivering van de zogenaamde ‘no show volgend verzoek’-beslissingen, waarbij de opvang geweigerd wordt aan een verzoeker die een volgend verzoek om internationale bescherming doet. Het Hof van Cassatie oordeelde in dit kader dat Fedasil de waardige levensstandaard moet toetsen bij iedere beperking van de opvang. De enkele vaststelling dat de verzoeker in het in artikel 4, § 1, 3° van de Opvangwet bedoelde geval verkeert – namelijk een volgend verzoek heeft ingediend, volstaat niet als wettige verantwoording voor het tijdelijk beperken van de materiële hulp. Lees meer in ons nieuwsbericht: Cass: Fedasil mag opvang bij volgend verzoek niet beperken zonder toetsing waardige levensstandaard