Opvangrichtlijn nog niet volledig omgezet in België: welke implicaties?

In het kort

De Opvangrichtlijn 2024/1346 uit het Migratie- en asielpactmoet worden omgezet in de lidstaten tegen uiterlijk 12-6-2026. België deed dit maar voor een aantal bepalingen. Bepalingen die niet tijdig zijn omgezet kunnen soms toch rechtstreekse werking hebben. We geven hieronder een overzicht van bepalingen waarbij dit mogelijk het geval kan zijn. Het gaat onder andere over toegang tot materiële opvang, over toegang tot werk en toegang tot taal en inburgeringscursussen. 

De nieuwe Opvangrichtlijn 2024/1346 werd tot nu toe enkel omgezet in België wat betreft de beperkingen van de bewegingsvrijheid en de bewaring. Daarnaast wordt het recht op materiële opvang beperkt tot medische begeleiding vanaf de afgifte van een overdrachtsbesluit. De menselijke waardigheid van verzoekers om internationale bescherming (VIB) moet gewaarborgd blijven. Dit staat ook in de AMMR-verordeningen heeft dus directe werking.

De andere bepalingen die niet voor 12 juni 2026 omgezet werden, hebben toch rechtstreekse werking als zij onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn. Deze rechtstreekse werking is beperkt tot een verticale werking, dit betekent dat ze enkel tegen de overheid kunnen ingeroepen worden en niet tegen een particulier. Het is aan de rechterlijke macht om in concrete gevallen hierover een oordeel te vellen.

We sommen de voornaamste, nog om te zetten wijzigingen hieronder op. 

Wat de materiële opvang betreft: 
  • Er wordt geëxpliciteerd dat de materiële opvangvoorzieningen en de gezondheidszorg een levensstandaard moeten bieden die de rechten van verzoekers uit het Handvest eerbiedigt.
  • Als er onvoldoende opvangplaatsen zijn door een onevenredig groot aantal op te vangen personen of als gevolg van een door de mens veroorzaakte ramp of een natuurramp, kan een lidstaat uitzonderlijk de opvang in andere opvangplaatsen voorzien dan diegene waarin de richtlijn voorziet. Dit moet gemotiveerd worden en kan enkel voor een zo kort mogelijke redelijke termijn. Hiermee wordt impliciet bevestigd dat een opvangcrisis geen grond is om geen opvang te geven. Zie ook Wettelijk kader en rechtspraak over gebrek aan opvang van asielzoekers met oneigenlijke code no show. 
  • Bovendien stelt elke lidstaat een noodplan op. Daarin staan maatregelen om passende opvang te voorzien wanneer de lidstaat met een onevenredig aantal verzoekers wordt geconfronteerd of wanneer de huisvestingscapaciteit uitgeput of niet beschikbaar is door een menselijke ramp of een natuurramp. 
  • De lidstaten voorzien de nodige middelen, met inbegrip van het nodige personeel en de nodige vertalers en tolken, voor de uitvoering van de richtlijn, rekening houdend met seizoensgebonden schommelingen van het aantal verzoekers.
  • Het blijft mogelijk om de kosten voor materiële opvang of gezondheidszorg terug te vorderen van een verzoeker die over voldoende middelen beschikt. De richtlijn voegt nu toe dat lidstaten bij het vragen van deze bijdrage of terugbetaling het evenredigheidsbeginsel moeten respecteren en rekening moeten houden met de individuele omstandigheden van de verzoeker en de noodzaak om zijn waardigheid en persoonlijke integriteit te eerbiedigen. Zie in dit kader ook onze nieuwsberichten: Arbrb Brussel: beperking materiële hulp wegens niet voldane bijdrageplicht vernietigd wegens stereotiepe motivering en Arbrb Brussel: Fedasil moet opvang blijven voorzien voor asielzoekers in manifeste nood ondanks niet voldane bijdrageplicht. 
  • Er is recht op materiële opvang vanaf het doen van het verzoek, en niet pas vanaf het indienen. In België staat dit al zo in de Opvangwet. 
  • De beoordeling van de bijzondere opvangbehoeften gebeurt zo snel mogelijk en wordt binnen de 30 dagen na het doen van het verzoek afgerond.
Wat andere rechten betreft: 
  • De gronden waarop je als verzoeker een reisdocument kan krijgen als je aanwezigheid in een andere staat is vereist, worden uitgebreid: naast ernstige humanitaire redenen komen nu ook andere dwingende redenen in aanmerking .
  • Verzoekers krijgen uiterlijk 6 maanden na de registratie van het verzoek toegang tot de arbeidsmarkt. In de vorige Opvangrichtlijn was dit 9 maanden na indiening. In België zal de impact van deze versoepeling mogelijk beperkt zijn aangezien de meeste verzoekers 4 maanden na de indiening al toegang tot de arbeidsmarkt krijgen. Een belangrijke nieuwe uitzondering daarop is echter dat verzoekers in de versnelde procedure geen toegang tot de arbeidsmarkt krijgen. Deze uitzondering zal pas toegepast kunnen worden na omzetting in de Belgische wetgeving, aangezien niet tijdig omgezette bepalingen niet tegen een particulier kunnen ingeroepen worden.
  • Verzoekers krijgen toegang tot taalcursussen, inburgeringscursussen of beroepsopleidingscursussen die de lidstaten passend achten om verzoekers beter in staat te stellen zelfstandig te handelen, met de bevoegde autoriteiten te communiceren of werk te vinden, ongeacht of zij toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Lidstaten kunnen vragen dat verzoekers die over voldoende middelen beschikken de kosten van deze cursussen dekken of eraan bijdragen. Op dit moment hebben verzoekers in Vlaanderen en Brussel geen recht op een inburgeringstraject volgens Vlaamse en Brusselse regelgeving. Wel biedt Fedasil via BEinformed pre-integratie aan. De vraagt rijst of België hiermee kan volstaan om tegemoet te komen aan de verplichting uit de Opvangrichtlijn. Verzoekers met een attest van immatriculatie hebben wel recht op taalonderwijs in Vlaanderen.